![]() |
|
|
de leeswolf, 2007, nr. 7 / oktober
Geen enkel ik is een eenheid
Herman Hesse herlezen / door Hilde Keteleer
Onlangs verschenen in de reeks ‘De twintigste eeuw’ Peter Camenzind en Tussen de raderen van Hermann Hesse. Een mooie gelegenheid om opnieuw kennis te maken met het oeuvre van de auteur van De steppewolf (De Bezige Bij, 2006), een boek dat destijds grote indruk op me gemaakt had. Met die bewondering was ik toen, in de hippiejaren ’70, beslist niet de enige. Het was dus met de nodige scepsis en angst om mijn jeugdherinnering te verknoeien dat ik Hesse opnieuw las. Dat viel ontzettend mee. Ook de vertalingen (1975 resp. 1973) bleken de tand des tijds wonderwel te hebben doorstaan. Er overviel me zowaar heimwee naar de tijd toen ‘schoon’ nog ‘mooi’ betekende, een oneindig veel mooier woord, naar de grote verhalen van het pre-ironische tijdperk, en naar de bergen toen de gletsjers nog niet gesmolten waren. Toch staat vast dat veel van mijn generatiegenoten niet meer zo happig op hem zijn. Waarom Hermann Hesse, 130 jaar geleden geboren, vooral jonge mensen van elke generatie telkens opnieuw aanspreekt, is niet zo moeilijk te achterhalen. Haast al zijn boeken zou je bildungsromans kunnen noemen, waarin de zoektocht naar identiteit centraal staat. Maar hem daarom afdoen als een auteur voor jongeren, zou onrecht doen aan zijn literaire kwaliteiten. Een Nobelprijs (1946) is misschien niet altijd een garantie voor het eeuwige literaire leven, maar in zijn geval lijkt me die absoluut verdiend.
Wereldburger Om dit oeuvre echt goed te begrijpen, is enige kennis van de achtergrond van de auteur beslist nuttig. Hesse werd in het noorden van het Zwarte Woud geboren in een piëtistisch gezin. Zijn beide ouders waren een tijd in opdracht van de Bazelse missie in Indië aan het werk. Zijn moeder was er ook geboren, zijn vader kwam uit Estland. Die internationale achtergrond zou sporen nalaten in Hesses werk. Ook de ontheemding van zijn vader, die in Schwaben en later in Zwitserland altijd een vreemdeling bleef, sijpelde door in wat de zoon schreef. Zijn polyglotte grootvader aan moeders zijde was uitgever en had een grote bibliotheek, waardoor de wereldliteratuur voor de kleine Hermann toegankelijk was. Al die elementen zouden hem tot een wereldburger maken die wars was van elke vorm van nationalisme, maar ze vormen ook de basis van zijn isolement. Zijn internaatstijd ging gepaard met veel conflicten en rebellie, met een odyssee door inrichtingen en scholen. Toen hij als 15-jarige een zelfmoordpoging ondernam, brachten zijn ouders hem naar een inrichting voor zenuwpatiënten in de buurt van Stuttgart, waar hij zich door God, zijn familie en de wereld verlaten voelde. Die ervaringen zou hij verwerken in zijn roman Unterm Rad (Tussen de raderen — zie p. 524). Uiteindelijk belandde hij in 1895 als leerling bij een boekhandelaar in Tübingen. Boeken compenseerden dan ook zijn gebrek aan sociale contacten. Hij las theologische geschriften, Goethe, Lessing, Schiller en teksten over de Griekse mythologie, later de Duitse romantici. In 1898 publiceerde hij zijn dichtdebuut en in 1899 een verhalenbundel, die geen succes kenden. Vanaf 1899 werkte hij in een bekend antiquariaat in Basel, en in 1901 kon hij zijn grote droom verwezenlijken: een reis naar Italië. Hij werd opgevist door uitgever Samuel Fischer, en de roman Peter Camenzind (zie p. 525), die in 1904 bij Fischer verscheen, betekende Hesses doorbraak. Hij trouwde met een fotografe en vestigde zich aan de Bodensee. Daar schreef hij zijn tweede roman, Unterm Rad, die in 1907 verscheen. Datzelfde jaar sloot hij zich aan bij de zwervende dichter en natuurprofeet Gusto Gräser. Die opende voor hem ook de toegang tot de geestelijke wereld van het Oosten. Beide thema’s, natuur en mystiek, zouden zijn hele oeuvre bepalen. De oosterse spiritualiteit is bij uitstek terug te vinden in Siddharta (1922), maar de hoofdtendens in zijn werk, dat de weg naar de wijsheid via het individu loopt, is toch een typisch westerse zienswijze en komt uit de christelijke mystiek. Na zijn terugkeer naar het burgerlijke leven publiceerde hij vooral verhalen en gedichten. Er verschenen nog een paar minder succesvolle romans, en intussen kampte hij met huwelijksproblemen. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, wilde hij zich als vrijwilliger melden, maar werd wegens gezondheidsproblemen afgewezen. Hij publiceerde een stuk in de ‘Neue Zürcher Zeitung’, waarin hij de Duitse intellectuelen opriep niet in nationalistische polemiek te vervallen. Daarop werd hij door de Duitse pers aangevallen en verloor hij vrienden. Hij vond zijn oude meester Gräser terug, die als dienstweigeraar bijna geëxecuteerd was. Hij werd zelf een vredesactivist, en verwerkte zijn ervaringen met de profetische man in Demian (De Bezige Bij, 2007), dat hij in drie wekenn tijd schreef en dat na de oorlog (1919) eerst onder een pseudoniem verscheen. Nobelprijswinnaar Datzelfde jaar was zijn huwelijk definitief voorbij en vestigde hij zich eerst in Tessin, later in Montagnola, een dorp in de buurt van Lugano. Daar zou hij de rest van zijn leven blijven wonen en zijn grote romans Der Steppenwolf (1927), Narziss und Goldmund (1930) en Das Glasperlenspiel (geschreven in de jaren ’30 maar pas in 1943 gepubliceerd) schrijven. Twee keer nog zou hij trouwen, in 1924 en in 1931. De steppewolf was voor hem een “bange waarschuwing” voor de komende wereldoorlog, en die werd door de Duitse overheid dan ook belachelijk gemaakt. Toen heel wat schrijvers later op de vlucht sloegen voor de nazi’s, zou zijn woning een onderkomen bieden voor de emigranten op weg naar de ballingschap, o.a. voor Thomas Mann en Bertolt Brecht. Op zijn manier probeerde Hesse tegen de stroom in te roeien. Hij had vele jaren lang voor de Duitse pers recensies geschreven en nu sprak hij zich expliciet uit voor Joodse en andere door de nazi’s vervolgde auteurs. Vanaf halfweg de jaren ’30 durfde geen enkele krant nog artikels van hem te publiceren. Zijn geestelijke toevlucht voor het dreigende gevaar en voor de berichten die hem tijdens de oorlog uit Duitsland bereikten, was het werk aan zijn roman Das Glasperlenspiel. Het was vooral omwille van deze late roman dat hij in 1946 de Nobelprijs kreeg. Na de oorlog nam Hesses productie af. Hij verlegde het zwaartepunt van zijn activiteiten naar zijn almaar omvangrijkere correspondentie. Onderzoek na zijn dood wees uit dat hij zo’n 35.000 brieven gekregen heeft. Omdat hij zonder secretariaat werkte, beantwoordde hij een groot deel daarvan zelf; 17.000 ervan bleven bewaard. Als een uitgesproken individualist vond hij die antwoorden op vragen om hulp bij levensvragen en oriëntatie en ook financiële hulp zijn morele plicht. Thema’s die meer van algemeen belang waren, werkte hij uit in lange essays die hij als Rundbriefe verstuurde. Al een hele tijd leed hij, zonder dat hij het wist, aan leukemie, en op 9 augustus 1962 overleed hij aan een hersenbloeding. In verband met de literaire betekenis van Hesse zijn behalve de al genoemde spiritualiteit en internationaliteit nog een aantal andere invloeden te noemen. Zijn vroege werk stond nog in de traditie van de 19e-eeuwse romantiek. Zowel qua taal als qua stijl sloot Peter Camenzind aan bij Gottfried Kellers bildungsroman Der grüne Heinrich. Inhoudelijk keerde hij zich tegen de toenemende industrialisering en verstedelijking. Die houding gaf hij later op, maar de antithetische structuur (stad/land, mannelijk/vrouwelijk) bleef ook in zijn latere werken, bv. in Demian en Der Steppenwolf. Zijn interesse voor de leer van de archetypes van Jung had een bepalende invloed op zijn werk, die voor het eerst in Demian bleek: de weg van een jonge mens naar zichzelf werd een van zijn hoofdthema’s. De handeling speelde zich niet meer in de reële wereld af, maar in het innerlijke landschap van de ziel. Al het werk van Hesse heeft autobiografische trekken, maar die zijn vooral merkbaar in Der Steppenwolf, die model kan staan voor de roman van de levenscrisis. In zijn latere werk werd dat autobiografische minder duidelijk, maar in Das Glasperlenspiel greep Hesse dan weer terug naar een thema dat hij al in zijn debuutroman Peter Camenzind behandeld had: de tegenstelling tussen Vita activa en Vita contemplativa. Eenzaamheid, prachtig stil Om een antwoord te vinden op de beginvraag van dit artikel (waarom spreekt Hesse vooral jonge mensen aan?) moet ik nogmaals teruggrijpen naar mijn eigen leeservaring, dertig jaar geleden: De steppewolf. In dit boek staat de tweespalt in de mens centraal. Maar er is meer. In een sleutelpassage in het zogenaamde ‘Traktaat van de steppewolf (Alleen voor gekken)’ gaat het over de ziel van de steppewolf: “een mens die alleen al door zijn hoge graad van individualiteit bestemd is een niet-burger te zijn”. Is er iets sterkers in het leven van jongeren dan die drang om zich af te zetten tegen het gevestigde? Berust niet de hele jongerencultuur op dat zich verzetten tegen het burgerlijke? De hele muziekcultuur? Van rock over punk tot rappers? “De meeste kunstenaars behoren tot dit type, maar alleen de allersterksten stoten door de atmosfeer van de burgerwereld en bereiken het kosmische, de anderen sluiten compromissen, verachten het burgerlijke maar versterken het uiteindelijk omdat ze het toch moeten bevestigen, willen ze overleven...” Welke jongere zou zich daarin niet herkennen? Wars van compromissen? En voorts wordt de steppewolf getypeerd als een eenzaam mens: is ook dat niet typisch iets waaraan jongeren nog meer lijden dan volwassenen? “Eenzaamheid betekent onafhankelijkheid, dat had ik altijd gewild en na lange jaren verkregen. Eenzaamheid was koud, o ja, maar ook stil, prachtig stil en groot als de koude stille ruimte waarin de sterren draaien...” En over de zelfmoordnatuur van de steppewolf: “Het is een kenmerk van de zelfmoordenaar dat hij zich steeds buitengewoon kwetsbaar en in gevaar acht, zo, als stond hij op de allersmalste rotspunt, waar een kleine duw van buiten of een geringe duizeling van binnen voldoende is om hem in een leegte te doen tuimelen.” Jotie t’Hooft, Jim Morrison, Jeff Buckley, ze zijn niet ver weg. En ten slotte kom ik nog even terug op de tweespalt tussen wolf en mens, tussen drift en geest. Nog altijd in het traktaat gaat het over de behoefte van de mens om zichzelf als een eenheid voor te stellen. Het gaat zelfs om meer dan een Zwiespalt, het gaat om een Vielspalt. Wanneer in begaafde mensenzielen het vermoeden rijst van hun veelheid, wanneer ze de waan van eenheid doorbreken en dat vermoeden ook uiten, wordt schizofrenie vastgesteld en worden ze opgesloten door de meerderheid, zegt Hesse. “In werkelijkheid echter is geen enkel ik een eenheid, maar een chaos van vormen, niveaus en toestanden, erfenissen en mogelijkheden.” Is dat niet precies wat iemand op weg naar volwassenheid wil ontdekken: al die mogelijkheden van zichzelf? Waarom ik De steppewolf en het andere werk van Hesse nog altijd sterk vind, zegt misschien iets over mezelf, maar ik maak me sterk dat ik niet de enige niet-jongere ben die bovenstaande thema’s blijvend de moeite waard vind. En natuurlijk was Hesse bovenal ook een vakman, die die thema’s beeldrijk uitwerkte... Recensies Hermann Hesse: Tussen de raderen Hermann Hesse: Peter Camenzind Bestel dit nummer of abonneer u op de Leeswolf
|
|
||||||||
| © 2010 | vlabin-vbc vzw | another cms by dataweb |