![]() |
|
|
de leeswolf, 2004, nr. 4 / mei
De hel en de hemel van Andreï Makine
Portret van een Frans-Russische reus / door Jan Baes
“‘Ooit moet de waarheid verteld kunnen worden…’ Deze tegelijk met nadruk en met geladen bitterheid uitgesproken woorden brachten me op een dwaalspoor. Ik zag een getuige voor me — mij! Beduusd, niet wetend wat ik moest zeggen, van mijn stuk gebracht door de enorme omvang van de taak. De waarheid vertellen over de tijd waarin we ons leven onhandig, zoals het uitkwam, aan de omstandigheden aanpasten. Getuigen van de geschiedenis van een land, het onze, dat erin geslaagd was zich, bijna onder onze ogen, tot een geduchte macht te ontwikkelen en met veel geraas weer in te storten na eerst talloze levens te hebben stukgemaakt”.
Bovenstaand citaat komt uit Requiem voor Rusland (Leesideeën Off Line 2000-2003), de zesde roman van de in 1957 in Krasnojarsk in Siberië geboren Rus, die zich dertig jaar later voorgoed in Frankrijk zou vestigen om er als Franstalig schrijver aan de slag te gaan. Het is ook een sleutelpassage in zijn oeuvre, dat met het recente verschijnen van een negende roman, La femme qui attendait (Seuil, 2004), stilaan is uitgedijd tot een tegelijk overweldigend weids als aangrijpend intiem portret van een land — een land waarin talloze mensen vermalen werden door de tragische gebeurtenissen die de Russische geschiedenis van de 20e eeuw hebben gekenmerkt. Makine vindt dat fictie de enige beklijvende manier is om over het leven in de voormalige Sovjet-Unie te getuigen en dat het geen nut heeft “boeken te schrijven als je de waarheid niet verzint”. Je mag dan ‘de hel in kaart brengen’, zoals Anne Applebaum deed met haar alomvattende Goelag, een geschiedenis (De Leeswolf 2004, p. 80), de impact van zulke — uiteraard uiterst belangrijke — studies blijft te beperkt en ten enenmale onvoldoende om, zoals de recensent schrijft, het historische geheugen van een ruimer publiek op te laden. Het zijn in de eerste plaats de werken van Solzjenytsin en de verhalen van Sjalamov over de werkkampen die ons bereiken en aanspreken, omdat ze de angst en de terreur voelbaar maken, omdat ze de totale willekeur en de grenzeloze absurditeit van de daden van het totalitaire regime doen herleven. De “geïnstitutionaliseerde onmenselijkheid” van de strafkampen was overigens maar een van de extremere aspecten van de communistische werkelijkheid; geen spijtige uitwas of incident, maar een rechtstreeks gevolg van de feitelijke omstandigheden waarin de ‘homo sovieticus’ werd gedwongen te leven. Het verhaal van de alledaagse leugen lezen we bij Makine, die dat in de eerste plaats doet voor een westers publiek dat jarenlang de ogen sloot voor de werkelijkheid van het leven dat door het sovjetregime in een ijzeren greep werd gehouden. Hoe nodig die literaire getuigenissen nog waren blijkt uit verschillende recensies, ook in eigen land, waarin de auteur na het verschijnen van zijn eerste romans soms openlijk beschuldigd werd van een fanatiek en visceraal anticommunisme, en zelfs van het voeren van een achterhaalde ‘propagandaoorlog’ tegen de bolsjewieken. Aantijgingen die intussen zijn verstomd. Andere, meer onschuldige, maar niet minder ridicule vooroordelen bestonden erin dat men zich in Frankrijk niet kon voorstellen dat een Rus voldoende Frans kende om een roman te concipiëren. Het gevolg was dat Makine zijn eerste twee boeken, Olga, de dochter van een held uit de Sovjet-Unie (1990) en Bekentenis van een afvallige vaandeldrager (Leesidee 1997, p. 507), alleen kon laten uitgeven door te zeggen dat ze door een kennis uit het Russisch waren vertaald. De affaire nam pas echt groteske vormen aan toen ook Duitsland geïnteresseerd bleek en om het manuscript vroeg. Makine kon toen niet anders dan zelf het boek in het Russisch omzetten. Vooral na het immense succes van Het Franse testament (Leesidee 1996, p. 538) en de dubbelslag Goncourt en Médicis werd nog een poging gedaan om te doen geloven dat het alles bij elkaar toch maar kramakkelig Frans was, maar ook die kritiek heeft zich sindsdien opgelost. Nieuwe romans van Makine worden vandaag, of het nu ‘Le Monde’, ‘Le Figaro’ of ‘Libération’ betreft, eensgezind lovend besproken. Wat misschien opnieuw reden is voor enig wantrouwen. Ook al zijn zijn boeken zonder enige twijfel van een hoog literair niveau en altijd de moeite van het lezen waard, toch blijf je met de indruk zitten dat, onder de eigen of door de uitgever gestuurde productiedrang, sommige boeken (Requiem voor Rusland, De aarde en de hemel van Jacques Dorme — zie bespreking hiernaast) niet helemaal de tijd kregen om te rijpen. Blijft dat met Andreï Makine Frankrijk er een schrijver van internationaal formaat bij heeft gekregen. De vreemde inbreng is voor Frankrijk literair en anderszins zeer verrijkend geweest. Belangrijke schrijvers zoals Amin Maalouf en Tahar Ben Jelloun hebben de werkelijkheid van de Maghreb en het Midden-Oosten op de Franse tafels gebracht. Voor wat de Russische realiteit aangaat, is er nu Makine. Hij schrijft in een stijl die vloeit als een stroom, melancholisch en meeslepend, met lange zinsconstructies die eerder willen suggereren dan duiden, met een bezwerende zintuiglijke verteltrant die dichter bij de poëzie aanleunt dan bij het proza. De verhaallijnen en de verschillende thema’s ontstaan hier uit de verbeelding van de taal en minder uit de structuur, die eerder intuïtief dan logisch tot stand komt. Het beste voorbeeld daarvan is allicht Het Franse testament, een wonderlijk boek waarin de magie die de echte literatuur kenmerkt, intens aanwezig is. Het vertelt het verhaal van de jongen Aljosja en zijn verhouding tot Charlotte Lemonnier, de Franse grootmoeder die verdwaald is in de geschiedenis en de Siberische steppe, en hem zonder het te weten op het pad zet van het schrijverschap. Het is een autobiografische roman, die naast de droom ook de wrede en onleefbare werkelijkheid schildert van het dagelijks bestaan. Een bestaan dat met moeite die naam waard is, vooral wanneer het ge loof in de maatschappelijke schijn komt te vervallen, zoals in het tragische Bekendtenis van een afvallige vaandeldrager. In dit boek zoeken twee jonge vrienden, tegen de achtergrond van de tragedie waarin de oorlog hun vaders en moeders heeft gestort, hun heil in de opgeklopte ideologische prietpraat van de communistische jongerenbeweging. Na het brute ontwaken is er geen plaats meer voor de droom. Een droom die wel volop aanwezig is in de bijna luchtige roman Een Siberische lente (Leesidee 1998, p. 278), waarin drie jongeren uit een dorp in Siberië volop beginnen te fantaseren over een ander, interessanter leven als ze bij toeval in de ban raken van een vrolijke Franse avonturenfilm. De druk die op het dagelijkse leven rust (zeker in de stalinistische tijd, maar ook nadien) komt vooral aan bod in Olga. In deze roman wordt de greep van de staat op een jonge vrouw pas echt meedogenloos en verstikkend als zij een relatie begint met een jonge Fransman. Zo ook in Requiem voor Rusland, waar het wedervaren van de hoofdpersoon, arts maar ook informant van de geheime dienst, aanleiding is om ook in het leven te duiken van zijn vader en grootvader. Het zijn vooral de portretten van zulke gewone mensen, die ondanks alles iets van het leven trachten te maken, die de lezer aangrijpen. Zoals ook de lotgevallen van de jonge pianist Alexeï Berg in De muziek van een leven (Leesideeën Off Line 2000-2003) op ons netvlies gegrift raken wanneer hij, om aan Stalins beulen te ontsnappen, zich een andere identiteit aanmeet. Om uiteindelijk te beseffen dat hij, met zovele anderen, alleen door een leven op te offeren een bestaan heeft kunnen rekken. Enigszins los van het andere werk staat de roman De misdaad van Olga Arbélina (Leesidee 1999, p. 447), een fascinerend verhaal over de onwerkelijke relatie tussen een moeder, een Russische prinses, en haar langzaam aan bloedziekte stervende adolescente zoon. Het speelt zich af in de bevreemdende atmosfeer van leegte die is ontstaan in de middens van de Russische emigranten die zich, na de val van het tsaristische regime, in Parijs en omstreken kwamen vestigen. Met deze naar inhoud en vorm bijna klassieke roman heeft Makine ongetwijfeld willen bewijzen dat hij een waardige erfgenaam is van de grote 19e-eeuwse Russische schrijvers. Met de pas verschenen roman La femme qui attendait keert hij terug naar zijn eigen thematiek en de wijze waarop hij autobiografische elementen mengt met fictieve gegevens of verhalen. Een 26-jarige student uit Leningrad vertrekt in de jaren ’70 op etnografische missie naar Arkhangelsk. In het in de taiga verloren plaatsje Mirnoïe stuit hij op een kleine gemeenschap van oudere vrouwen en weduwen, die de zo brutaal verbroken droom van het grote collectivistische paradijs zijn blijven koesteren. Hij raakt er in de ban van de 47-jarige onderwijzeres Vera, een sensuele en mysterieuze verschijning, die niet gediend is van zijn avances. Ze wacht immers op de terugkeer van haar verloofde, die dertig jaar geleden naar het front is vertrokken en nooit is teruggekeerd. Omdat hij als vermist werd opgegeven, weigert ze de belofte die ze hem heeft gedaan te verbreken en ze zal elke dag opnieuw hopen dat er nieuws is. Hebben we te maken met een gekkin of een heilige?, lijkt de verteller zich af te vragen. Maar het antwoord is duidelijk en laat geen ruimte voor twijfel. In het leven zoals het is — zoals het was in het Rusland van die dagen, zoals het in feite is in elk leven, in elke tijd en waar ook ter wereld — komt het er op aan het lot niet zomaar te aanvaarden, te blijven weigeren om te vergeten en zo de enige zin die mogelijk is te geven aan het leven. Vera, Charlotte, Olga Albérina en Alexandra uit De aarde en de hemel van Jacques Dorme blijven waar ze zijn en weigeren te veranderen; het zijn de ware heldinnen in het universum van Andreï Makine, slachtoffers wellicht, maar dan wel slachtoffers die een dimensie aan hun bestaan wisten toe te voegen. Het gaat die vrouwen om hun identiteit of tenminste om wat ze er als waardevol in beschouwen en wat dus moet worden bewaard. Voor de mannelijke figuren in de romans van Makine ligt dat anders. Aljosja, Alexeï Berg, Oetkin uit Een Siberische lente, Arkadi en Rezinka, de twee jongens uit Bekentenis van een afvallige vaandeldrager, zijn zoekenden. De situatie waarin ze verkeren accepteren ze niet of niet meer. Het gaat ook hen om hun identiteit, het grote allesoverheersende thema in het oeuvre van Makine, maar om een nieuwe en andere identiteit die ze willen veroveren. In tegenstelling tot de vrouwen vertrekken ze. Zoals Makine zelf ooit uit Rusland vertrok om in Frankrijk zijn ware identiteit als Frans schrijver te vinden. Bestel dit nummer of abonneer u op de Leeswolf
|
|
||||||||
| © 2010 | vlabin-vbc vzw | another cms by dataweb |