naar startpagina
“Lezen lijkt soms een exercitie om oprechtheid, moraal en waardigheid hoog te houden, juist op grond van het besef dat overal ter wereld voor deze begrippen elke grondslag onverbiddelijk ontbreekt.” Anneke Brassinga
“Men schrijft op louter het puntje van het weten, op het uiterste puntje dat ons weten scheidt van het niet-weten, en dat het een doet overgaan in het ander.” Gilles Deleuze
“Het lezen geeft ons toversleutels om diep in ons de deur te openen van vertrekken waar we zelf niet hadden kunnen komen” Marcel Proust
"Voordat ik de krant van vandaag inkijk, moet ik eerst nog even het Oude Testament lezen, het Symposium van Plato, de Odysseia van Homerus, de Metamorfosen van Ovidius en de Koran." Leonard Nolens
"Het schrift vormt enkel de partituur van de aria die de lezer moet zingen." Francisco Umbral
de leeswolf,  2008,  nr. 6 / september
Bladspiegel (6)
Teleurstellingen van de amateur / door Eddy Bettens
Een van de weldaden van het internet is dat het de voortbrengselen van het academische literatuurbedrijf toegankelijk maakt voor de amateurlezer. Je hoeft niet zo lang te googelen voordat je op het wereldwijde web uitvoerige interpretaties opdelft van Nabokov of Flaubert, Virginia Woolf of Thomas Bernhard. Tegen betaling kun je zelfs de allernieuwste interpretatie- en verklaringsmachines aan het werk zien, vers uit de fabriek, nog roestvrij glanzend.
Zulke academische opstellen brengen me terug naar mijn studietijd, toen ik ze nog moest opgraven in allerlei ‘Quarterlies’ en ‘Vierteljahresschriften’. Maar het effect is hetzelfde als bijna 30 jaar geleden: ze intimideren en ze ontgoochelen me.
Het blijft verleidelijk om je vrolijk te maken over het taaie jargon en de humorloze saaiheid van veel academisch geschrijf, maar je moet wel toegeven dat de meeste literatuurdeskundigen ervaren en scherpzinnige lezers zijn, die lang en grondig over een tekst hebben nagedacht. Als je net Robert Musil of Stendhal hebt herlezen, en je de wolk van details en stemmingen die je overhoudt confronteert met de stevig doortimmerde, naadloos samenhangende en vaak verrassende interpretaties die zo’n expert je voorschotelt, dan raak je wel eens de moed kwijt. Wat een slordige, oppervlakkige, vergeetachtige lezer ben je! Wat weet je toch weinig! Wat ben je nu eigenlijk, een lezer of een luie mijmeraar?
Even later voel je ook teleurstelling. Je had van je lectuur genoten, sommige formuleringen fixeerden stemmingen die je nooit eerder verwoord had gezien, andere passages lieten je koud, intrigeerden of verwarden je, ze zetten je aan het denken over een opiniestuk dat je net in de krant had gelezen of riepen herinneringen wakker aan iemand die je lang geleden had ontmoet (maar wie was dat ook alweer?), ze deden vluchtige verlangens opgloeien, visioenen van een ander leven (zo koel en essayerend en onaantastbaar in het leven staan als de Man Zonder Eigenschappen (of als zijn bedenker)! Eindelijk naar Italië verhuizen en er zo gelukkig worden als Stendhal! Ze deden je vooral ook andere boeken opslaan, zodat je leestraject doorheen Musils eindeloze roman werd verrijkt met allerlei omwegen en excursies.
Al die stemmingen, aanwaaisels, commentaren en kanttekeningen, al die lokale intensiteiten reduceert de academische expert tot één dimensie: die van de betekenis, van de interpretatie. Blijkbaar is dat de enige dimensie waarin je zinvol over je lectuur kunt schrijven? Een van onze grootste lezers, Paul Claes, zet zijn jaloersmakende eruditie en scherpzinnigheid naar eigen zeggen in om de "codes van teksten te kraken" — bewonderenswaardig, ongetwijfeld, en verrijkend voor de amateurlezer van Rilke, Rimbaud of Claus, maar ook wat bevreemdend. Betekenissen lospellen, codes kraken: voor sommigen zal dat wel een krachtige drijfveer zijn, maar is het de enige of zelfs maar de belangrijkste?
En er is nog iets. De academische expert presenteert zichzelf impliciet als een ideale lezer die de hele tekst in zijn hoofd heeft zitten, onvermoeibaar studieus, volmaakt alert en geconcentreerd, eindeloos ontvankelijk, objectief, niet getroebleerd door persoonlijke associaties of irritaties — een lezer ook die onbeperkt de tijd heeft om het gelezene te herlezen en te overdenken: "an ideal reader suffering from an ideal insomnia", zoals Joyce zich die wenste. Zo’n lezer ben ik nooit geweest.
In mijn studietijd werkte ik meer dan een jaar lang aan een verhandeling over Robert Walser, de Zwitserse schrijver van verraderlijk luchtige, over het dunste ijs slaapwandelende, tegelijk babbelzieke en zwijgzame prozastukken. Als fervente theorielezer had ik een kleine gereedschapskist samengesteld waarmee ik de klus wilde klaren: een gloednieuwe verteltheoretische schroevendraaiersset, enkele stevige klauwhamers zoals Lacan en Deleuze, Benjamin en Barthes voor het fijnere boorwerk. Maar hoe intensiever ik het Gesamtwerk van Walser las, hoe minder ik over hem te vertellen wist. Mijn enthousiasme verflauwde niet, maar terwijl ik las en herlas, leek Robert Walser steeds verder van mijn instrumentarium weg te dansen.
Na een tijdje wilde ik nog maar één ding: Walser blijven herlezen, het kwikzilveren bewustzijn blijven bewonen van de Walser-herlezer. Nog altijd bewoon ik dat bewustzijn alleen zolang ik hem lees; zodra ik iets anders doe of iets anders lees, vergeet ik het — en vergeet ik meteen ook het grootste deel van wat ik gelezen heb. (Misschien zoals een pianist alleen weet hoe het is om Mozart te spelen zolang hij hem speelt?) Intussen heb ik wel een paar academische studies gelezen die erin slagen met Walser mee te dansen, maar die hebben niet de pretentie om de leeservaring van de individuele lezer te vervangen. En de interessantste stukken over Walser bevatten eigenlijk maar één vingerwijzing: zo werkt Walser voor mij, probeer hem, lees hem — als hij iemand voor jou is, zul jij hem ook onverwisselbaar vinden.
Deze zomer las ik The sight of death, het dagboek dat een kunsthistoricus (T.J. Clark) bijhield van zijn pogingen om nauwkeurig en intensief een paar schilderijen van Nicolas Poussin te bekijken en te beschrijven, telkens opnieuw. Clark boort ook de emotionele, autobiografische onderstroom aan die zijn fascinatie voor Poussin motiveert, maar tegelijk stelt hij de interpretatie zolang mogelijk uit en laat hij zien hoe zelfs intieme associaties op de schilderijen blijven afketsen. Zo’n boek is razend interessant, ook voor dilettanten zoals ik, vooral omdat de expert zichzelf niet presenteert als degene die weet, die alles doorziet en elke code kraakt, maar als een beschouwer die leert kijken, die aarzelt, geïntrigeerd en geïrriteerd raakt, over zichzelf nadenkt, eigen obsessies natrekt, laat zien hoe ze zijn kijken kleuren, maar ook hoe ze uiteindelijk tekortschieten, omdat het schilderij onuitputtelijk is.
En ik bedacht: waarom ken ik toch zo weinig teksten die op zo’n geduldige manier op een leeservaring ingaan — het dagboek van iemand die enkele weken met een gedicht leeft, bijvoorbeeld, die laat zien hoe zijn lectuur verweven raakt met de contingenties van het dagelijkse leven? Of kunnen we terecht in romans, als we willen lezen hoe en waarom mensen écht lezen? De komende maanden ga ik in elk geval op zoek naar geschreven leeservaringen.

Bestel dit nummer of abonneer u op de Leeswolf
print  deze pagina printen of opslaan   print  stuur deze pagina door
© 2010 | vlabin-vbc vzw | another cms by dataweb