naar startpagina
“Men schrijft op louter het puntje van het weten, op het uiterste puntje dat ons weten scheidt van het niet-weten, en dat het een doet overgaan in het ander.” Gilles Deleuze
“Lezen lijkt soms een exercitie om oprechtheid, moraal en waardigheid hoog te houden, juist op grond van het besef dat overal ter wereld voor deze begrippen elke grondslag onverbiddelijk ontbreekt.” Anneke Brassinga
“Het lezen geeft ons toversleutels om diep in ons de deur te openen van vertrekken waar we zelf niet hadden kunnen komen” Marcel Proust
"Voordat ik de krant van vandaag inkijk, moet ik eerst nog even het Oude Testament lezen, het Symposium van Plato, de Odysseia van Homerus, de Metamorfosen van Ovidius en de Koran." Leonard Nolens
"Het schrift vormt enkel de partituur van de aria die de lezer moet zingen." Francisco Umbral
de leeswolf,  2007,  nr. 3 / april
Nagelezen (3)
Kinderstem / door Joris Note
Ik had een vriend, en al vijftien jaar ben ik boos omdat hij dood is, en eigenlijk heb ik in al die tijd geen echt gesprek meer gevoerd over literatuur of politiek. Hij zou dit jaar zeventig geworden zijn, daarom wou ik zijn naam nog eens op papier zetten: Daniël Robberechts. Hij liet enkele onmisbare boeken na en veel scherpzinnige beschouwingen, niemand in Vlaanderen heeft zulke slimme dingen gezegd over taalgebruik, media, cultuur. Bladerend in zijn werk herlas ik een stukje uit 1974 over de socialistische verzen van Herman Gorter: die gedichten hadden Daniël getoond dat voor socialisme niet alleen gestreden maar ook gezongen moest kunnen worden, "en dan nog wel allegro". "Het socialisme komt, de wolken jublen het," schreef Gorter, en ook: "O zoetste tijden die veranderen! / O zoete tijden die zijn nu." Die woorden uit het begin van de 20e eeuw klonken rond 1970 niet zo vreselijk gedateerd, voor sommige mensen. Verandering kon toen iets anders betekenen dan ‘innovatie’.
Herman Gorter, de dichter van Mei, ‘bekeerde’ zich in 1897 tot het marxistisch socialisme en werd propagandist en agitator voor de Nederlandse sociaal-democraten. Dat betekende geenszins dat hij de literatuur voortaan verwaarloosde. Hij formuleerde kritiek op het individualisme en estheticisme van de Tachtigers (bij wie hij gehoord had), en publiceerde in 1903 de gloedvolle Verzen waaruit de aangehaalde regels komen; in hetzelfde jaar schreef hij aan zijn minnares: "Zooals ik voor het socialisme voel, voelen er weinig menschen nog, geloof ik; ik bedoel: poëtisch en alles, alles, vooral ook de schoonheid er in zien." Maar Gorter wilde niet alleen zijn subjectieve ervaring uitdrukken, hij zocht iets algemeners, en zo kwam in 1906 Een klein heldendicht tot stand. Dat eposje (ruim 1500 regels) vertelt, overigens met veel lyrische passages, over de bewustwording van twee jonge arbeiders, Maria en Willem: hoe ze ertoe komen zich aan te sluiten bij de socialistische beweging. De jonge mensen vormen een paar, maar hun ontwikkeling wordt verbeeld in aparte zangen. Willem neemt deel aan een staking, bestudeert Het kapitaal, woont een vergadering bij waar buitenlandse leiders spreken; Maria denkt na in de natuur, bezoekt een meeting voor de achturendag, laat zich de meerwaardetheorie uitleggen door een oude wever. Het globale verhaalverloop bevat geen verrassingen en conflicten: de klassenvijand treedt zelf niet eens op, de hoofdpersonen zijn nauwelijks individuen, hoeven geen enorme innerlijke weerstand te overwinnen — ze zijn idealistisch en geïdealiseerd.
Eind jaren ‘70 las ik Een klein heldendicht voor het eerst, in een slordige reprint van de communistische uitgeverij Pegasus. Ik hou er nog altijd van. Het boekje heeft nochtans nooit echt een goede pers gehad (al werd het bewonderd door Van de Woestijne en Kloos); het heeft werkelijk zwakke kanten, en in zijn hooggestemdheid is het zeker vandaag zó unzeitgemäss, "niet van deze tijd", dat het moeiteloos te ridiculiseren valt. Maar ridiculiseren, waarom zou je dat doen, je wil toch verdorie niet van deze tijd zijn, of toch niet op de schampere manier van sceptici en cynici?
Neem het motto: "Hoe de Vrijheid wordt, de Slavernij verbleekt, / begin ik te zingen met wachtende kinderstem." Misschien doen de abstracta-met-hoofdletters te plechtig aan, maar hoe modern en fris is de tweede regel, met die zowel beginnende als wachtende kleine stem. De dichter was al een veertiger, maar overal waait jeugdigheid je tegemoet, soms op onverwachte plaatsen. Gorter schreef hier vanuit een deterministische visie: de arbeiders moeten het socialisme willen, meende hij, de figuren uit zijn gedicht moesten dus de juiste keuze maken; dat lijkt een dubieuze én treurige opvatting, tot je deze rennende lenteregels leest: "Zooals in Februari of in Maart / de wolken vliegen lachend langs den hemel, / wit-blauw gevlekt, en de heele natuur, / de bergen, de velden en alle boomen / voelen: het moet, het moet, - zoo voelde hij / toen hij daar langzaam naar zijn woning liep."
Jeugdige aarzeling en opwinding, maar geen koesteren van kinderlijkheid; het verhaal handelt in een zeer elementaire zin over ontvoogding: beide jonge mensen moeten weggaan bij hun moeder en een eigen vorm aannemen, zelfstandig worden, "vast" worden, door te leren en zich te verenigen met anderen; dat houdt ook tastbare volwassenwording in, man of vrouw worden — niet voor niets vergelijkt Gorter zijn figuren herhaaldelijk met een jonge stier of koe, "die op de velden / komt uit den stal, in ’t voorjaar, duizelig / in ’t licht komt, en niet weet of her of der..."
Waar het om gaat wordt wel nergens duidelijker dan in deze regels: "’t Was of helderheid door [Maria] heen ging lachen - / en zij verrees en keek over zich henen, / ’t was of haar kleeren hel waren: ’n wasch. / ‘Dit ben ik, dacht zij, dit ben ik, ik kan / veel zijn, ik hoef niet altijd zoo te zijn / zooals ik was. – Ik kan ook anders worden. / Ik kan heel anders worden, heel, heel anders. / Ik kan nieuw worden.’" Alleen al die wasch! Wat later staat het meisje met open mond te luisteren naar een spreekster op de meeting: "Zij hing naar haar toe, een peer naar zijn boom." Hebt u dat nooit opgemerkt, hoe een peer naar zijn boom toe hangt? Beter opletten voortaan.
Er valt wat te beleven bij Gorter, altijd, en daar hoef je zijn ideeën niet voor te delen; of misschien toch wel, voor de duur van het gedicht, want hoe zou je de intensiteit van de overtuiging scheiden van die van de woorden? Kom, nog één citaat. We twijfelen, we weten nog niet of we durven — maar nu gaan we slapen: "’s Nachts sluipt er rond een God. Dat is de Moed. / Die gaat door achterstraten, en daar waar / de hooge huizen der arbeiders zijn. / En waar zij liggen [...] / Maakt hij ze vast en moedig. De nacht geeft / ze sterker aan het licht dan zij ze nam." Nee nee, dat gaat echt niet over fabrieksarbeiders van een eeuw geleden. Laat die god maar komen.

Citaten uit: Daniël Robberechts, Bezwarende geschriften (1984); Herman Gorter, Verzamelde werken II (1948) en Een klein heldendicht (1906); Herman de Liagre Böhl, Met al mijn bloed heb ik voor U geleefd : Herman Gorter 1864-1927 (1996). De tweede (gewijzigde) druk van Een klein heldendicht (1908) staat op www.gutenberg.org/files/16830/16830-h/20016-h.htm
Bestel dit nummer of abonneer u op de Leeswolf
print  deze pagina printen of opslaan   print  stuur deze pagina door
© 2010 | vlabin-vbc vzw | another cms by dataweb