![]() |
|
|
de leeswolf, 2008, nr. 7 / oktober
Bladspiegel (7)
Anna en Marcel / door Eddy Bettens
Als je begrijpen wilt hoe mensen hun lectuur ervaren, heb je vaak meer aan een romanscène dan aan een plankje literatuurtheorie.
Anna is in Moskou op bezoek geweest bij het gezin van haar broer en keert met de trein terug naar Sint-Petersburg, naar Karenin, haar bedaagde, bedaarde echtgenoot. In Moskou heeft ze gedanst met de aantrekkelijke jonge graaf Vronski. Dat verwart haar; als haar schoonzus suggereert dat de graaf misschien verliefd is geworden schrikt ze en schaamt ze zich even, maar tegelijk “kwam er een diepe blos van voldoening op haar gezicht toen de gedachte die haar bezighield door een ander onder woorden werd gebracht”. Ook om dergelijke zinnetjes houden we van Tolstoi. In het rijtuig legt Anna een kussentje op haar schoot, laat haar dienstmeisje een lantaarntje brengen en haalt een papiermesje en een Engelse roman uit haar tasje. Ze probeert te lezen, maar er is te veel rumoer op de trein; pas als het rumoer iets repetitiefs krijgt, iets hypnotisch, begint ze te begrijpen wat ze leest. Maar veel zin in haar boek heeft ze niet: ze vindt het niet prettig, schrijft Tolstoi, “om zich in het leven van andere mensen te verdiepen”. Die met luiheid vermengde tegenzin herkennen we, hij bekruipt ons vaak als we voelen dat we in de net begonnen roman zullen voortlezen: we kunnen nog terug, maar straks beginnen de personages ons te interesseren — dat willen we ook wel, maar tegelijk zien we er ook tegen op. Maar bij Anna is er meer aan de hand. Ze is te ongedurig: ze wil niet over anderen lezen, ze wil zelf leven. Als ze leest dat de heldin een zieke verpleegt, wil ze dat ook; als iemand in het parlement een redevoering houdt, dan wil ze die zelf houden; als ze leest dat een jonge vrouw achter wild aanjaagt, wil ze ook zo roekeloos paard kunnen rijden. Maar Anna zit in een halfduister rijtuig dat naar Sint-Petersburg spoort, tegelijk zit ze ook gevangen in de halfduistere Russische samenleving van 1870 — “er viel niets te doen, en terwijl haar kleine handen met het papiermesje speelden, dwong ze zich om verder te lezen.” Dat lukt haar ook. “Het Engelse geluk begon voor de held van de roman al aan te breken: hij werd baron en bezitter van een landgoed en Anna wilde al samen met hem naar het landgoed reizen toen ze plotseling” — en bij dit “plotseling” houden we even halt om Anna’s leeservaring na te trekken. Haar door het lezen verhevigde verlangens — zelf een redevoering in het parlement houden, zelf roekeloos en wild paardrijden — heeft ze moeten intomen. Dat doet haar concentratie opgloeien: ze zinkt weg in het boek, ziet haar verlangens verwerkelijkt door de baron en landgoedbezitter, de held die snel carrière maakt en met wie ze naar het landgoed wil reizen — “toen ze plotseling voelde dat hij zich moest schamen en dat zij zich om dezelfde reden schaamde.” Op dit moment, begrijpen we, dringt wat ze de vorige dagen heeft meegemaakt in haar lectuur binnen. De held van haar roman heeft ze vereenzelvigd met Vronski. Haar verliefdheid is aan het kristalliseren. Dat roept een troebele verwarring wakker, en omdat die verliefdheid ongeoorloofd is, wekt ze ook schaamte op. “Ze hield op met lezen en leunde met allebei haar handen om het papiermesje geklemd achterover.” Is Anna een goede lezer? Toen Vladimir Nakobov aan de Cornell-universiteit over Anna Karenina doceerde, vond hij van niet: haar “emotional participation in the life of the book” was er te veel aan. Nabokov vond dat je alleen de emoties van de schrijver mocht delen, niet die van de personages: alleen de identificatie met de schrijver, met zijn formele en stilistische keuzes, kan rillingen van artistieke voldoening over je ruggengraat doen lopen. Toch zou ik er veel voor geven om opnieuw met Anna’s emotionele betrokkenheid te kunnen lezen. Als ik de meeste romans na twintig, dertig bladzijden dichtklap, is dat omdat ik het vermogen om in een wereld en in personages weg te zinken ben kwijtgeraakt. Om nog plezier aan een roman te beleven, moet ik hem verkruimelen; ik lees hem in een soort lecture automatique, met een doffe, matte aandacht, in de hoop te worden beloond met wat kruimels — een scène of een zin die me treft. En als iets me treft, dan komt dat meestal — net zoals bij Anna — omdat de buitenwereld in mijn lectuur binnendringt. Anna leest niet met “belangeloos welbehagen”, ze is geen koele ontcijferaar van betekenissen: ze is een excessieve lezer, die in de lectuur de intensiteit zoekt die ze in haar leven moet missen – en die vervolgens in haar leven de intensiteit najaagt die ze in haar lectuur heeft gevonden. Nabokov vergelijkt haar met Emma Bovary, ook zo’n intensieve lezer met wie het slecht afloopt. Toch zullen veel lezers zich in Anna herkennen. Ze doet ons beseffen dat lezen geen ‘zuivere’, onthechte activiteit is, maar nauw verweven is met onze persoonlijke geschiedenis — als een roman, een scène of een zin ons intrigeren, is dat vaak omdat die geschiedenis in onze lectuur binnendringt. De manier waarop dat gebeurt, is voor elke lezer anders. Bij Anna wordt het uitgelokt door haar emotionele identificatie met wat ze leest, bij Marcel Proust zelfs door een bepaalde werkwoordsvorm. In een voetnoot bij zijn essay Sur la lecture vertelt hij dat een bepaald gebruik van de imparfait de l’indicatif — “die wrede tijd, die ons het leven voorstelt als iets vluchtigs en passiefs tegelijk, die juist op het moment waarop ze onze daden schildert, ze tot een illusie maakt” — voor hem “een onuitputtelijke bron van geheimzinnige treurnis is gebleven”. Urenlang kan hij rustig aan de dood hebben zitten denken, vertelt hij, maar als hij onverhoeds wordt getroffen door zo’n imparfait, schrikt hij op en wordt de melancholie acuut. Anna’s schaamte, Marcels acute treurnis — ze herinneren ons aan de banale evidentie dat lezen een affectieve ervaring is, een ervaring die ons kan verwonden. Bestel dit nummer of abonneer u op de Leeswolf
|
|
||||||||
| © 2010 | vlabin-vbc vzw | another cms by dataweb |