naar startpagina
“Men schrijft op louter het puntje van het weten, op het uiterste puntje dat ons weten scheidt van het niet-weten, en dat het een doet overgaan in het ander.” Gilles Deleuze
"Voordat ik de krant van vandaag inkijk, moet ik eerst nog even het Oude Testament lezen, het Symposium van Plato, de Odysseia van Homerus, de Metamorfosen van Ovidius en de Koran." Leonard Nolens
“Het lezen geeft ons toversleutels om diep in ons de deur te openen van vertrekken waar we zelf niet hadden kunnen komen” Marcel Proust
“Lezen lijkt soms een exercitie om oprechtheid, moraal en waardigheid hoog te houden, juist op grond van het besef dat overal ter wereld voor deze begrippen elke grondslag onverbiddelijk ontbreekt.” Anneke Brassinga
"Het schrift vormt enkel de partituur van de aria die de lezer moet zingen." Francisco Umbral
de leeswolf,  2008,  nr. 8 / november
Bladspiegel (8)
Pen en papier / door Eddy Bettens
Lang geleden deed ik het zo. Naast zinnen die ik inventief of verrassend vond, zette ik met een voorzichtig potlood — het ging tenslotte om een bibliotheekboek — een stip. Op een strookje papier noteerde ik het paginanummer. De gemarkeerde passages schreef ik over in een notitieschrift — zo’n dik, in grijs gebonden schrift, rood op snee, waarin leraren examencijfers noteerden.
In die computerloze tijd was wat ik deed lang niet uitzonderlijk. Eigenlijk hanteerde ik een cultuurtechniek die lezers ook al in de oudheid hadden gebruikt, toen ze hypomnemata opschreven, aantekeningen over wat ze hadden gelezen, gehoord of gedacht, bijeengebracht voor latere herlezing en meditatie. Mijn notitieschriften waren ook verwant met de commonplace books die lezers sinds de 15e eeuw aanlegden, verzamelingen van citaten geplukt bij auteurs van wie gedachtegoed, taalgebruik of stijl voorbeeldig werden geacht. Die geheugenboeken werden gebruikt in het schoolonderwijs, maar ook door amateurlezers en geleerden. Privénaslagwerken waren het, voorraadkamers vol citaten die voor eigen gebruik geplunderd en geassembleerd konden worden. Die citaten werden bijeengebracht onder alfabetisch geordende thematische kopjes: zo zijn de commonplace books de voorloper van de geleerde steekkaartensystemen en de digitale archieven.
Mijn notitieboeken waren naïever. Ik noteerde mijn citaten kriskras door elkaar, in de volgorde van mijn lectuur. Regelmatig herlas en overwoog ik ze, en soms krabbelde ik er iets naast — een associatie, een verwijzing, een bedenking. Na een tijdje kende ik veel citaten uit het hoofd. Zo deed ook de Duitse schrijver Jean Paul het: in lijvige notitieboeken bracht hij allerlei leesvruchten samen: recepten stonden er naast exotische reisbeschrijvingen, Shakespearecitaten, adviezen voor mummificatie, scholastische theorieën over engelen. Jean Paul was met zijn notitieschriften begonnen omdat hij zich geen eigen bibliotheek kon veroorloven — niet toevallig verzon hij ook de heerlijke schoolmeester Wutz, die te arm was om boeken te kunnen kopen, in de catalogus van de Buchmesse enthousiast de titels aankruiste die hij graag wilde lezen en de boeken die bij die titels hoorden dan maar opgewekt zelf schreef, met pen en papier. Nog aan het eind van zijn leven, rond 1820, zei Jean Paul dat hij zijn 110 notitieboeken boordevol excerpten en citaten voor niets ter wereld wilde ruilen, “zelfs niet voor een bibliotheek met 200.000 boekdelen”.
Die uitspraak van Jean Paul las ik vorige week: ik kruiste hem aan, maar schreef hem niet over. Jaren geleden al zijn mijn twee notitieschriften ten prooi gevallen aan mijn chronische opruimwoede. Al jarenlang noteer ik niets meer: uit luiheid, ongetwijfeld, maar ook omdat ik mij intussen wel een eigen bibliotheekje kon veroorloven en misschien ook wel omdat ik — godweet waarom — graag het beeld van mezelf als een vlinderende, vluchtige dilettant wilde koesteren.
Pas nu begin ik die schriften te missen. En ik krijg heimwee naar het geduldig overschrijven van zorgvuldig gesprokkelde citaten — met de hand, met pen en papier.
Een landweg, schreef Walter Benjamin ooit, beleef je vanuit een vliegtuig anders dan als wandelaar: als je vliegt, gaat de weg helemaal op in de omgeving; als je wandelt, ervaar je gradaties en glooiingen, merk je hoe de weg bij elke bocht een ander vergezicht onthult, laat je je door de weg leiden, “ervaar je zijn macht”. Op dezelfde manier, gaat Benjamin verder, wordt een tekst anders ervaren door wie hem leest dan door wie hem overschrijft. “Alleen de overgeschreven tekst beveelt de ziel van wie zich met hem bezighoudt, terwijl de gewone lezer nooit de nieuwe perspectieven in zijn innerlijk ontdekt die de tekst voor hem ontsluit.” Wie leest, laat zich leiden door zijn dagdromen en verlangens en drukt zijn stempel op de tekst; wie een tekst overschrijft, onderwerpt zich aan zijn macht en zijn discipline.
Benjamin heeft gelijk: een citaat leer je pas grondig kennen als je het overschrijft, je eraan onderwerpt en het daardoor verinnerlijkt. Je bedwingt je eigen syntactische neigingen en voorkeuren, je onderwerpt je aan de stijl van een ander, je eerbiedigt de materialiteit en zintuiglijkheid van letters en leestekens, traag en nauwgezet, met een ascetische discipline die beknelt en bevrijdt. Daar heb je gehoorzaamheid, zwijgzaamheid en nederigheid voor nodig — drie onbruikbaar geworden deugden uit de monnikenregel van Sint-Benedictus.
Wie nu een dossiertje wil samenstellen over pakweg middeleeuwse angelologie gaat even googelen, knippen en plakken. Straks staat alles wat ooit geschreven werd online, zodat je eigenlijk nooit meer iets hoeft te kopiëren: ongestraft kun je je geheugen uitbesteden aan de digitale machine. Wie in zo’n omgeving nog citaten wil overschrijven, met pen en papier, die levert zich over aan een zinloze, absurde, anachronistische, activiteit — die misschien juist daardoor iets bekoorlijks krijgt. Want misschien kan in die activiteit iets overwinteren dat het waard is om overgeleverd te worden? Als je steeds meer wordt verleid en gedwongen om teksten niet meer te lezen, maar ze te scrollen en te scannen, als je van hyperlink naar hyperlink springt tot je het noorden kwijt bent, krijgen bedachtzame, verdiepende leestechnieken een onvermoede charme.
In een notitieboek dat hij Die Fehler des Kopisten noemde (“De fouten van de kopiïst”) rekende Botho Strauss zich bij wat hij de Schriftfortsetzer noemde — een woordspeling die je nog het best met lettervoortzetters kunt vertalen: “ijverige monniken die het geschrevene kopiëren, met intelligente fouten waaruit zich mogelijkerwijs ooit, zoals bij de kopieerfouten in de evolutie, een nieuwe soort van opmerken ontwikkelt.” Waardevolle oude teksten overschrijven, ze absorberen en verteren, en in de kantlijn wat parasitair gekrabbel achterlaten: misschien, suggereert Strauss, is dat niet eens zo’n zinloze bezigheid, in onze dictatuur van de actualiteit, onze cultuur van soundbites en elk herinneringsvermogen aanvretend onbenul.
Misschien moet ik maar eens mijn vulpen nemen en het citaat van Botho Strauss overschrijven, op de eerste bladzijde van een nieuw notitieschrift.
Bestel dit nummer of abonneer u op de Leeswolf
print  deze pagina printen of opslaan   print  stuur deze pagina door
© 2010 | vlabin-vbc vzw | another cms by dataweb