naar startpagina
“Het lezen geeft ons toversleutels om diep in ons de deur te openen van vertrekken waar we zelf niet hadden kunnen komen” Marcel Proust
"Het schrift vormt enkel de partituur van de aria die de lezer moet zingen." Francisco Umbral
"Voordat ik de krant van vandaag inkijk, moet ik eerst nog even het Oude Testament lezen, het Symposium van Plato, de Odysseia van Homerus, de Metamorfosen van Ovidius en de Koran." Leonard Nolens
“Men schrijft op louter het puntje van het weten, op het uiterste puntje dat ons weten scheidt van het niet-weten, en dat het een doet overgaan in het ander.” Gilles Deleuze
“Lezen lijkt soms een exercitie om oprechtheid, moraal en waardigheid hoog te houden, juist op grond van het besef dat overal ter wereld voor deze begrippen elke grondslag onverbiddelijk ontbreekt.” Anneke Brassinga
de leeswolf,  2008,  nr. 9 / december
Bladspiegel (9)
Over mijn oeuvre / door Eddy Bettens
Een vraag voor u, lezer. Van alle boeken die u gelezen en bewonderd hebt — welke boeken had u zelf willen schrijven?
Ik geef het toe, het is een vreemde vraag. Wat gênant ook, omdat ze aan allerlei verzwegen verlangens raakt. Ze wekt al gauw de indruk van ijdeltuiterij, imitatiezucht of namedropping. Daar valt nu eenmaal niks aan te doen — wie die indruk niet kan uitstaan (en wat dat namedropping betreft, zal het beslist niet bij een indruk blijven), die kan maar beter niet verder lezen.
Entre nous, dus. Welke boeken wekken in u het verlangen dat u ze zelf had geschreven? Ik vraag niet met welk boeken u beroemd en rijk had willen worden of van welke bewonderde schrijver u het talent en de sensibiliteit benijdt. Nee, ik vraag naar een leeservaring die — vermoed ik — door veel mensen wordt gedeeld: de aparte ervaring dat je een boek leest alsof je het zelf had willen schrijven.
Lang niet alle boeken die ik bewonder behoren tot die categorie. Tristram Shandy, Lolita, de grote romans van Proust of Musil, de verhalen van Kleist, Tsjechov of Babel: al die meesterwerken kan ik lezen en herlezen zonder te bezwijken voor de dagdroom dat ik ze zelf schrijf. Ze zijn te monumentaal; het verlangen dat op hun marmer afschampt, nestelt zich liever in minder gewichtige boeken. Van Georges Perec, bijvoorbeeld, is Het leven een gebruiksaanwijzing ontegenzeggelijk het belangrijkste, compleetste en meest bewonderenswaardige boek, maar het is niet het boek van hem dat ik zelf had willen schrijven — dat is Een man die slaapt.
De boeken die ik zelf had willen schrijven zijn een kleine deelverzameling van de veel grotere groep favoriete boeken. Een canon vormen ze niet; ik zou ze niet eens blindelings aanbevelen. Jakob von Gunten van Robert Walser zit er bij, verhalen van Danilo Kiš (in Een graftombe voor Boris Davidovitsj en Encyclopedie van de doden). La chambre claire van Roland Barthes, om het bescheiden bij één titel te houden. De kladboeken van Lichtenberg. Al te luide eenzaamheid van Bohumil Hrabal en The blue flower van Penelope Fitzgerald, een kwieke, laconieke roman over de dichter Novalis. Doe er ook maar Out of sheer rage bij, van Geoff Dyer, een geestige studie over de onmogelijkheid een studie over D.H. Lawrence te schrijven. Maar er zitten ook misschien terecht voorgoed vergeten boeken bij als Daimler gaat weg van Frédéric Berthet, of niemendalletjes als De badkamer van Jean-Philippe Toussaint.
De constellatie van zelfgeschreven boeken wisselt voortdurend; alleen de harde kern blijft dezelfde. Recent is mijn oeuvre uitgebreid met Chileense nocturne van Roberto Bolaño, terwijl veel van de boeken die ik zelf schreef toen ik twintig was — romans van Thomas Pynchon, Kundera en Arno Schmidt — allang uit mijn bibliografie zijn geschrapt.
Het is een merkwaardig allegaartje, dat oeuvre van mij. Zo op het eerste gezicht hebben mijn boeken niet veel gemeen, behalve dat ze kort zijn, nogal hybridisch (er zitten weinig ‘echte’ romans bij) en meestal getoonzet in één stem — veelstemmige boeken schrijf ik blijkbaar niet zo graag. Het zijn boeken die zich graag klein maken en zich bij voorkeur vermommen als notitie of commentaar. Wat me ook nog opvalt: veel boeken in mijn oeuvre zijn onvertaald of niet meer beschikbaar — een commercieel interessante schrijver is aan mij niet verloren gegaan.
Wat doet de dagdroom van het zelfgeschreven boek ontkiemen? Bij mij begint alles met de cadans van de zinnen. Bij sommige boeken nestelt zich al na enkele pagina’s een melodie in je hoofd, een prosodie die je blijft horen nadat je het boek hebt weggelegd, een muziekje dat je gedachten blijft ritmeren. Zonder die invoelbare cadans — die jou kiest — is er geen verlangen. Maar hij volstaat niet: weinig schrijvers houden me met het ritme van hun zinnen en hun bruuske ellipsen zo in de ban als Pascal Quignard, maar wat hij schrijft, begrijp ik nauwelijks of vind ik onzinnig en abstruus — tientallen paragrafen van hem had ik zelf willen schrijven, maar geen enkel boek.
Voor dat laatste is nog wat meer nodig. Wat? Dat is heel moeilijk te zeggen. Het gaat om het gevoel dat wat je leest ‘juist’ is. Dat impliceert geen morele of (godbetert) politieke instemming: het gaat om het gevoel dat de zinnen die daar onder je ogen ontstaan ‘niet beter geschreven hadden kunnen worden’, dat je ze bijna gelijktijdig denkt en leest. Dat betekent merkwaardig genoeg niet dat je altijd hetzelfde denkt als wat je leest: het betekent alleen dat je je dankzij je lectuur in staat voelt te denken wat je anders nooit had kunnen denken.
Wat in het verlangen om van een boek een zelfgeschreven boek te maken geen rol speelt, is de figuur van de schrijver. De affiniteit met een toon, met een melodie van zinnen en ideeën doet me er niet naar verlangen om me imaginair met de schrijver te vereenzelvigen. (Alleen bij Roland Barthes is dat misschien anders: bij hem voel ik nog een zweem van mijn jeugdige idolatrie, toen ik — zoals de verteller in Prousts Recherche over de bewonderde schrijver Bergotte zegt — “over alle onderwerpen die hij niet in zijn boeken had kunnen bespreken zo graag zijn orakelspreuken had gehoord”.) Ook van Peter Handke, bijvoorbeeld, heb ik enkele boeken zelf willen schrijven (zijn Essay over de vermoeidheid, heel zeker, en ook De namiddag van een schrijver), maar daarvoor moet ik dan wel de figuur van Handke zelf wegdenken: zijn gekoketteer met zijn kluizenaarschap, zijn grootspraak en zijn mystieke bevliegingen zitten me alleen maar in de weg.
Elke veellezer wordt wel eens gevraagd waarom hij zelf niets schrijft. Omdat de boeken die ik had willen schrijven er al zijn, zeg ik dan. Misschien is dat het verschil met een échte schrijver: in het uitgestrekte boekenuniversum ziet die altijd nog een leemte die precies de vorm aanneemt van het boek dat hem voor ogen staat. Zo’n leemte heb ik tot mijn opluchting nog nooit ontdekt — al moet ik mezelf misschien niet voortijdig gelukkig prijzen.
Bestel dit nummer of abonneer u op de Leeswolf
print  deze pagina printen of opslaan   print  stuur deze pagina door
© 2010 | vlabin-vbc vzw | another cms by dataweb