naar startpagina
"Het schrift vormt enkel de partituur van de aria die de lezer moet zingen." Francisco Umbral
"Voordat ik de krant van vandaag inkijk, moet ik eerst nog even het Oude Testament lezen, het Symposium van Plato, de Odysseia van Homerus, de Metamorfosen van Ovidius en de Koran." Leonard Nolens
“Men schrijft op louter het puntje van het weten, op het uiterste puntje dat ons weten scheidt van het niet-weten, en dat het een doet overgaan in het ander.” Gilles Deleuze
“Lezen lijkt soms een exercitie om oprechtheid, moraal en waardigheid hoog te houden, juist op grond van het besef dat overal ter wereld voor deze begrippen elke grondslag onverbiddelijk ontbreekt.” Anneke Brassinga
“Het lezen geeft ons toversleutels om diep in ons de deur te openen van vertrekken waar we zelf niet hadden kunnen komen” Marcel Proust
de leeswolf,  2009,  nr. 1 / februari
Baggerwerk (1)
De hoeren van het gemeengoed / door David Nolens
De vraag die hem het laatste jaar bezighoudt, is de vraag naar de volwassenwording, te midden van het kinderlijke gezwets van zijn tijd. Maar tegelijk met die vraag komt de ergernis aan de ergernis, die zich maar blijft verdubbelen en die verslavend is. “Dat komt ervan als ge aan de oppervlakte blijft leven en u blindstaart op elke stem die aan u voorbijtrekt.” Moe van het antwoorden op elk geluid heeft hij zich teruggetrokken, niet in de vlucht, maar in de bevestiging van zichzelf en werkt hij aan zijn mentale hygiëne, waarin hij maar ten dele slaagt.
Wat zijn de voorwaarden van de volwassenwording? Nooit heeft hij kerkklokken horen luiden. En de maat van de media is een maat voor niets. Blijft over het baggerwerk dat hij moet uitvoeren, op goedgekozen plaatsen, in de hoop dat hij iets opdelft dat hem tot lering strekt. Daarom is voortaan zijn materiaal het water, omdat het zich niet laat kneden, net als zijn taal, die door zijn vingers glipt.
Als sluiswachter aan het kanaal heeft Leopold Thans een uitzicht verworven. Hoe minder hij van de mens ziet, hoe meer hij van hem gaat houden. In alle eerlijkheid, hij wil zich bevrijden van de opsmuk, van al het gebabbel rondom, van kranten, radio en televisie, kortom van de hoeren van het gemeengoed. Weer die ergernis.
Een schip uit 1955, genaamd Zelfportret, van een bankier op rust, komt de sluiskolk in. Leopold Thans gooit behendig een haak, haalt de tros op en legt die over de bolder. De oude bankier klimt moeizaam naar boven en hijst zich aan wal. De man stelt zich voor, ‘Henri’, en meteen is hij duidelijk als een mens die zich heeft verinnerlijkt tot een gewetensprobleem. Het Zelfportret ligt in de mist te drijven en het moet nog vijf meter stijgen alvorens de sluisdeur open kan. Die woorden van Henri klinken alsof ze tegelijk ergens geschreven staan. Terwijl de bankier zijn rechten voor de opvaart betaalt, lacht hij: Is een valse munt die iedereen wisselt, nog langer valse munt?
Het is een waarachtig droombeeld dat schrijvers schippers zijn, die zich van beneden naar boven en omgekeerd laten schutten, dat Herman Teirlinck zich vermomt als bankier en het saldo van zijn leven opmaakt. Dat Leopold Thans de dode schrijver een jenever schenkt en de bankier hoort zuchten: Hij leefde opgesloten met zichzelf, sprak weinig en scheen maar te ademen om te luisteren. Leopold Thans schrijft de vaarvergunning uit, die geldig blijft van 1955 tot morgen: Het enige waaraan ge hangt als aan uw adem zelf, is het actuele uur, het stukje tijd dat u bevredigt.
In het achterland van 2009 roept men tot hier. Het is ternauwernood hoorbaar, maar niettemin is het contrast met de ruimte en de stilte van de polders, waarin de sluis als een ademende schelp ligt verzonken, groot. Ook het nachtelijke uur, dat zich losmaakt van de waan, draagt bij tot de overtuiging zich te kunnen verlossen van zijn hoogstpersoonlijke middelmaat. Volwassenwording is misschien niets meer dan de oefening in het zorgvuldig uitkiezen van wat men wil horen, lezen en zien. En zich niet meer als slachtoffer overleveren aan het vuil van de straat, ook niet terwille van het plezier dat aan de stedelijke roes wordt ontleend. En al dit zonder zich te kleden in het zwart van de elite, maar integendeel in het blauwe uniform van de sluiswachter die nederig schrijvers schut.
Maar dat is vechten tegen de bierkaai. De hoeren van het gemeengoed staan er groot en opengesperd, schippers aan wal, en zingen altijd hetzelfde lied, de lachers op hun hand. Weer die ergernis. Leopold Thans is een door de hogere ambtenarij vergeten sasmeester, die een sluis bedient die al jaren is gestremd. Toch wordt de man nog verloond, vanuit het edele motief van het onnut. En alleen al daarom schut hij de dode zielen van het antiquariaat, die tevens zijn enige gesprek vormen.
Het voorland ligt voor hem open. Hij wil zich in het gras leggen, in dauw en mist. De sluiswachter is moe van het achterland, waar men zegt nooit volwassen te willen worden. Maar Leopold Thans wil zo graag volgroeien en hij tracht daarnaar samen met de doden, omdat geen levende voller is dan hen. Hij is vies van zichzelf, van wie hij is geworden, van alle ziektes die hij heeft opgelopen door zich te laten neuken door de hoeren van het gemeengoed. ‘Het moet mogelijk zijn,’ vertelt hij aan de bankier, ‘om mezelf vanbinnen helemaal schoon te wassen en er andere gedachten op na te houden. Niet langer wil ik worden vernederd en kleingemaakt. Als ik mezelf groot denk, dan wil ik dat ook meteen zijn.’
Henri antwoordt: Het is de benarde kant van alle goede voornemens of systemen, dat men ze zo kwalijk naleven kan. De bankier springt gezwind aan boord van zijn schip, terwijl Leopold Thans de trossen losmaakt. De sluisdeur gaat open en het Zelfportret meert af. De oude man heeft de sluismeester een goede wacht gewenst, maar roept toch nog vanop de brug: Ge zijt niet meer in staat u te vereenzamen, u af te zonderen in loerposten, en meesterschap te putten uit voorzichtige allenigheid. Eigenlijk zijt ge ziek, van een smadelijke, infame ziekte, die u naar bed jaagt om er uw lijf in te verbergen, dat van kop tot teen een smartelijk schaamdeel geworden is.

Herman Teirlinck, Zelfportret of het galgemaal, Manteau, 1955
Bestel dit nummer of abonneer u op de Leeswolf
print  deze pagina printen of opslaan   print  stuur deze pagina door
© 2010 | vlabin-vbc vzw | another cms by dataweb