![]() |
|
|
de leeswolf, 2009, nr. 3 / april
Baggerwerk (3)
Vrijwillige dressuur / door David Nolens
Is er vóór het voorland nog een voorland en daarvoor nog één? Is hij te ver afgedreven? Leopold Thans, de sluismeester, denkt van wel. Hij is een moeilijk mens. Een samenraapsel. Iemand die zich onmogelijk heeft gemaakt. Hij leeft met niemand samen en de nachten zijn lang. Of hij leeft met heel veel mensen samen en niemand zwijgt. Maar hij weet ook hoe te lachen. Nochtans is dat geen echt weten.
Er is iets potsierlijks aan hoe hij zich heeft teruggetrokken, aan zijn gefluister en aan het geritsel van de nocturne die in hem klinkt. Maar al dit is hem het liefst, dus heeft hij niets te klagen. Alleen de mens met een geheim heeft een eigenlijk bestaan. De vreemde, die deze laatste woorden sprak, heeft hij niet zien komen. Als de sluismeester in de kolk kijkt, ziet hij pas het onooglijke bootje, een vlot eerder, waarop de man staat, die nu de kap van zijn hoofd verwijdert en naar boven kijkt. Hij maakt geen aanstalten om het laddertje negen meter omhoog te klimmen. Maar voor Leopold Thans is het opengebroken gelaat van de vreemde voldoende als vaarvergunning voor deze opvaart. Een mooi schouwspel is dat, hoe de sluismeester voorovergebogen staat en in de kolk tuurt en hoe de vreemde vijf keer zijn lengte naar omhoogkijkt. Wie is dan de grootste? “Houdt vast aan de drijvende bolder!” roept Leopold Thans, terwijl hij zich naar de controlekamer haast, waar hij de sluisdeur sluit en de verlaten opent. Dan gaat hij terug op zijn plek naast het water staan. Met laagwater zal het nog meer dan een halfuur duren eer de vreemde op gelijke hoogte komt. Wat valt er gedurende al die tijd te zeggen? Het is donker en bewolkt. Geen maan. Hij was nochtans niet onverschillig geworden, de mens interesseerde hem nog, evenals de wereld, maar hij interesseerde zich niet erg meer voor zichzelf. Wat een vreemde zinnen echoën uit de sluisput, als een orakel. En de sasmeester heeft geen idee welk weerwoord hij kan bieden. Toch voelt hij meteen hoe het op hem betrekking heeft. Hij heeft dan maar te luisteren en krabt zijn baard. Hij is hier al dagen aan het werk zonder iemand te zien, dus eigenlijk zonder te werken en dat begint aan hem te vreten. Dat is de ziekte van veel sluis-, bruggen- en gemaalwachters. Het gevolg van eindeloze wachturen, het tomeloze geduld en de existentie die daaruit rijpt. De weemoed die daaruit spreekt, het zoeken naar een einder om naar te staren. Zelfs al zit hij in de kleine controlekamer, dan nog zullen zijn ogen onwillekeurig zoeken naar een horizon, ruimtelijk maar ook in de tijd een toekomst om zich aan te schragen. Wie oud is, blikt terug op twintig, dertig soms veertig jaar wachten en heeft zich verzoend met zijn lege handen. Nutteloos ben ik nooit wanneer ik geconcentreerd voor mezelf leef. Nutteloos word ik wanneer ik door een groep opgeslorpt en innerlijk vernietigd word. Dat zegt de vreemde op fluistertoon, maar zelfs de minste zucht wordt hier versterkt ten gehore gebracht. Meteen moet Leopold Thans denken aan het kantoorleven waar hij vroeger zo onder leed. De ellendige burelen van het achterland waar hij jarenlang het bloed van de muren heeft gelikt. Dat arbeidsverdriet. Die teamvergaderingen. De leegte die dan in de mens ontstaat wordt gevuld met allerlei kunstmatige behoeften en driften, met pseudo-gevoelens en pseudo-gedachten, die schreeuwerig in de wereld worden uitgebazuind, terwijl de leegte bij anderen de vorm aanneemt van een bestendige geblaseerdheid of een verveling die hun wezen zelf geworden is. De vreemde is nu halfweg de sluiskolk, maar toch kan Leopold Thans hem in het duister niet goed onderscheiden. Vanwege de tranen in zijn ogen. Het ergste zwijgen is het ophouden van het gefluister van de innerlijke stem. Hij weet niets te zeggen en heeft niets te denken. Ik vroeg hem eens of hij een vriend had. Hij sloot stilzwijgend de ogen en schudde het hoofd. In zijn leven stond geen enkele lichtende mens. Zijn aarzeling breekt hem. En dan, eindelijk, begint hij te lachen, omdat hij een vriend heeft gevonden. Die vriend, die hem nu nog vreemd is, komt met elke minuut enkele decimeters hoger en nader. De laatste maanden waren heel moeilijk. Hij had gekozen voor dit bestaan, maar het was ijdel. De zoveelste rol die hij zich aanmat, om te komen tot een kern van hout. Een sonore en eerlijke basklank. Toch moet elke variatie uit hem komen. Het gevecht met de nachtegalen. Hij denkt: ze verdrinken in het achterland aan anekdotiek. Tegelijk stampt hij met zijn voeten en balt zijn vuisten. Hij is elke herkenning kwijt. Zijn zucht naar het onmogelijke is onmogelijk. Er bestaat een wereld van kleuters en van volwassenen. Beiden hebben hun definitie verloren. Wat doet hij hier in een bond zonder naam? Op zekere dag verliet hij zijn werk en zijn huis en kwam bij ons zijn toevlucht zoeken. Waar? Leopold Thans begrijpt het niet. Hij heeft zijn toevlucht gezocht tot de verwijdering. Hij stoot alles af en zoekt niet naar gelijkgezinden. Wat dom van hem. Hoe dom om in een gedroomd land te gaan leven, dat niet wordt bevolkt door allemaal mensen die hetzelfde denken, dezelfde frustraties delen, dezelfde ambities koesteren, de tijd beklagen en toch ondraaglijk vrolijk zijn. Gij kunt geen leven leiden zoals het mijne, maar gij kunt wel mijn stilte in uw eigen sfeer meenemen. Ga nu en tot wederziens. De vreemde is nu tot op ooghoogte. Op zijn troon van water. Hij draagt een monnikspij. Het is alsof Leopold Thans naar zichzelf kijkt en misschien is dat ook zo. Misschien heeft hij altijd vanuit de diepte van de sluiskolk aan zichzelf gedacht en hoopte hij te worden versast naar een volgende en nieuwe stroom van bewustzijn. Of is het niet eerder zo dat al die jaren van leven hem tam hebben gemaakt en dat hij hoopt hier in het voorland opnieuw wild te worden. Op die manier een nieuw begin maken. Op die manier kiezen voor een vrijwillige dressuur. Leopold Flam: ‘Het heilige zwijgen’ in: Provocatie en inspiratie: Liber Amicorum Leopold Flam (Ontwikkeling, 1973); Het huis van de wereld (Wereldbibliotheek, 1966) Bestel dit nummer of abonneer u op de Leeswolf
|
|
||||||||
| © 2010 | vlabin-vbc vzw | another cms by dataweb |