![]() |
|
|
de leeswolf, 2009, nr. 6 / september
Baggerwerk (6)
De schrijvende / door David Nolens
En als we nu eens bekennen dat Leopold Thans niet alleen sluiswachter is, maar ook schrijver. Maar als hem naar zijn beroep wordt gevraagd, antwoordt hij dat hij sluiswachter is. Hij voelt zich alleen maar schrijver op het moment dat hij schrijft. Schrijven is voor hem immers een activiteit. Hij begrijpt niet hoe je altijd schrijver kan zijn, terwijl je onder vrienden bent, naar televisie kijkt of op café een pint drinkt. Het woord schrijver betekent op zich niets. Iedereen kan schrijven, maar daarom heeft men nog niets te vertellen.
Al die jaren heeft hij in stilte aan een tekst gewerkt. En het bijzondere is dat hij tijdens die jaren niet wist wat er werd gepubliceerd, hoe er in die dagen werd geschreven. Hij kende alleen maar dode schrijvers, met wie hij in gedachte gesprekken voerde. Hij was helemaal los van alles en iedereen. Dat was ooit anders geweest. Toen hij nog gewoon in het achterland woonde, gaf hij zich wel uit voor schrijver en sprak hij met andere schrijvers. Maar toen is hij gevlucht, vanuit de wens om te schrijven zonder schrijver te zijn. Het moet mogelijk zijn, dacht hij, om te schrijven alsof het niets is, en om het resultaat van het schrijven, de tekst, los te koppelen van het applaus. En ook om een heel andere identiteit te kweken. En om heel lang te zwijgen, zonder zenuwachtig te worden, zonder te verlangen naar schouderklop en bevestiging. Dat was lastiger dan het leek. Want in die eerste maanden en zelfs jaren zag hij toch altijd een publiek voor zich. Dat publiek hield in zijn verbeelding een belofte in. Het zou, nadat het zijn tekst had gelezen, eindeloos lang applaudisseren. Ze zouden hem op handen dragen. Het zou, als hij in de spiegel keek, terugkijken, liefdevol en smachtend. Met als gevolg dat hij het publiek wilde behagen. Dus terwijl hij schreef, masseerde hij zijn woorden in honderden en duizenden schouderklopjes van toekomstige lezers. Het resultaat was dat zijn tekst als olie van hen af gleed. Dus probeerde Leopold Thans te schrijven zonder publiek. Maar was zoiets mogelijk? Schrijven is toch communiceren en dat veronderstelt iemand tot wie de schrijver zich richt. Ja, maar Leopold zou voortaan zijn eigen publiek worden. Hij zou zich slechts tot zichzelf richten. En omdat het zelf eindeloos geproblematiseerd kan worden, is het helemaal niet moeilijk om zich tot zichzelf te verhouden in een tekst. Maar hoe hard Leopold ook probeerde zich te sluiten, als in een ei te schrijven, waarbij de woorden slechts binnen het ei zouden resoneren, toch kroop over de rand van het blad altijd minstens één paar ogen, dat meelas. En het waren niet zijn ogen. Hij besefte dat die ogen hem altijd hadden begeleid. En dat die ogen hem dicteerden. Dat hij tegelijk opkeek naar die ogen en hun goedkeuring verwachtte. Hij wilde waakzaam opgroeien onder die ogen. Daarnaast en daarmee samenhangend was er de kwestie van een heel andere identiteit die hij wilde kweken. Eigenlijk was dat niets anders dan het retoucheren van de ogen die hem begeleidden. Dat die ogen niet op hem neerkeken als was hij een schrijver, maar dat ze hem zagen staan als sluiswachter, die toevallig met een balpen jongleerde. Chique gesteld werd Leopold Thans dus een schrijver in de marge en dat is hij vandaag nog steeds. Hoe dat precies in zijn werk gaat? Dat is moeilijk. Het is schrijven in de ene richting, terwijl de schrijvende, want hij is geen schrijver, de andere richting opkijkt. Het is alsof aan het schrijven geen aandacht wordt besteed. Het is schrijven zonder de sérieux van zie hier ik schrijf. (En toch is het schrijven alsof hij de enig schrijvende ter wereld is.) Het is schrijven zonder het zie hier mijn kontje en ik kan nog veel meer zoals grappen vertellen en heel goed onaneren. Ook schrijven zonder krullen en zonder uitspraken als ik heb elk woord gewikt en gewogen, schrijven is schrappen en de schrijver is een ziener. Ook niet tussen het schrijven door roepen in krantenpagina’s van zie ik ben er ook nog en ik heb een mening over politiek en andere aanbestedingen, kunstig verliteratuurd en verpakt; ook erg grappig en sappig. Het is schrijvend ouder worden zonder dat er een citroen in de mond van de schrijvende groeit. Het is schrijven zonder het frequenteren van kroontjespenfeestjes. Het is nooit ironie. Het is altijd water. Op de radio in het achterland gehoord: “Ik wil echte pageturners schrijven. De lezer door mijn pagina’s jagen.” Leopold Thans denkt: “Ik wil schrijven alsof het mijn strot uitkomt. Ik wil dat de lezer struikelt bij elke zin. Ik wil dat hij me slaat. Ik wil dat hij denkt: Dit is geen schrijven. Dit is… Dit is… Ik wil poepgeil en gortdroog schrijven.” Er zijn nauwelijks nog beroepen voor mensen als Leopold die in den vreemde willen zijn. Die zich het recht toe-eigenen om met een kinderblik de einder af te tasten. Sluiswachter is een van die laatste beroepen waarin de werkelijke materie die moet worden behandeld de tijd is. Het is wachten op een schip of een woord. Sommigen doen dat af als romantiek. Zij zien het geluk niet van een dag die uitdeint in alle richtingen. Een leeg schip is als een kartonnen doos op het water. Het is moeilijk bestuurbaar, omdat de wind er veel vat op heeft. Die leegte is ook in Leopold Thans. Hij is een tochtgat geworden, waarin woorden en ideeën vrijelijk botsen. Bij bewustzijn lijkt het alsof hij elke dag weer ettelijke levens heeft te versassen. Levens die door hem heen moeten gaan en worden verteerd. Leopold heeft geen project en geen trukendoos. Hij is niet goedlachs om den brode en houdt niet van presentaties. Een sluiswachter in het achterland is niet thuis. Hij kan zich niet conformeren. De inrichting van de stad past hem niet. Hij botst op huizen en in die huizen op mensen en in die mensen op gebruiken en in die gebruiken op een slaapwandeling. Bestel dit nummer of abonneer u op de Leeswolf
|
|
||||||||
| © 2010 | vlabin-vbc vzw | another cms by dataweb |