naar startpagina
“Lezen lijkt soms een exercitie om oprechtheid, moraal en waardigheid hoog te houden, juist op grond van het besef dat overal ter wereld voor deze begrippen elke grondslag onverbiddelijk ontbreekt.” Anneke Brassinga
“Men schrijft op louter het puntje van het weten, op het uiterste puntje dat ons weten scheidt van het niet-weten, en dat het een doet overgaan in het ander.” Gilles Deleuze
“Het lezen geeft ons toversleutels om diep in ons de deur te openen van vertrekken waar we zelf niet hadden kunnen komen” Marcel Proust
"Het schrift vormt enkel de partituur van de aria die de lezer moet zingen." Francisco Umbral
"Voordat ik de krant van vandaag inkijk, moet ik eerst nog even het Oude Testament lezen, het Symposium van Plato, de Odysseia van Homerus, de Metamorfosen van Ovidius en de Koran." Leonard Nolens
de leeswolf,  2009,  nr. 7 / oktober
Baggerwerk (7)
Karaktermoord / door David Nolens
Hij is geen held. Ook de schrijver, waarop hij lijkt, is geen held. Helden leven niet in verstilling. Hij is angst. Hij is een probleem waaraan moet worden gewerkt. Hij is een karaktermoord. Een karakterzelfmoord. Hij moet elke dag zijn aangeboren karakter smoren. Dat lukt nooit ten volle en daarom is hij een probleem. Dat maakt dat hij in de omgang maar heel weinig heeft te vertellen. Want waarom iets vertellen dat ook anders zou kunnen zijn? En dat hij zo weinig mogelijk mensen om zich heen wil. Toch houdt hij van mensen. Maar hij kiest ze zorgvuldig uit. Omdat ze hem besmetten.
De grootste aanwezigheid die hij zich kan voorstellen, is het lichaam van een ander. Of nu de postbode aanbelt met een bestelling en zich staande houdt in de opening van zijn voordeur, of nu een schipper aan wal komt en hem groet, of nu het winkelmeisje hem katoenen sokken aanprijst, altijd is hij overweldigd door hun lichaam en door hun lichamelijkheid; dat laatste als de individuele taal die de bezieler met lijf en leden spreekt.
Dat lichaam van een ander detecteert hij meteen in zijn zwaarte, zijn lichtheid en zijn potentie. In het beste geval vraagt hij zich af of het iets voor hem zou kunnen betekenen, wat hij ermee zou kunnen aanvangen en of er plezier aan zou kunnen worden ontleend. Traag schuift dat lichaam in het zijne, eerst een arm dan een been, totdat het lichaam uit het zijne barst of er net geheel in verdwijnt. Aan die gewaarwording probeert hij geen aandacht te schenken. Maar soms valt er niet aan te ontsnappen en loopt hij dagen en weken in de schoenen van een ander.
Als die ander een meisje is, rank en speels, dan kan hij zich er nog mee verzoenen. Ook als het een jongen is, die dansend over de plaveisels zweeft, weet hij zich gelukkig. Maar als hij met een zwaar lichaam te kampen heeft, dat bovendien meerdere zenuwtrekken kent, dan is het hem droef te moede. Zo’n lijf verbergt zich als monster in het zijne en laat van zich spreken op elk onbewaakt moment. Vooral gelaatstrekken spelen hem parten. Als zijn gezicht ineens verkrampt in de trekken van een ander, is het alsof uit het niets een latex handschoen opduikt, die zijn gelaat in een bepaalde houding dwingt.
Ook hierin gelijkt Leopold Thans op de schrijver, die de mimesis nooit helemaal overtreft en die, voor hij aan het werk kan, eerst moet moorden. Hij moet de schimmen uit zijn hoofd kloppen, zijn gelaat gladstrijken, die zorgeloze glijbaan van het afgelikte afdalen, die waan van het straatbeeld, van bobo’s op caféterrassen. Maar hij houdt nog vlees over. Daaruit blaast hij zich een leven.
De idee dat Leopold Thans, zich tergend bewust van zijn sterfelijkheid, ouder zal worden en doodgaan, na levenslang als mimespeler in een spiegelpaleis te hebben bestaan, is hem zo pijnlijk en ondraaglijk dat hij de absurde wens heeft gekoesterd al zijn zintuigen, waar doorheen anderen binnenkomen, te smoren. Dat een mens zijn ogen uitsteekt of zijn oren dicht met was. Het gevoel de controle te verliezen, bezeten te worden door een ander, doet ook de angst ontstaan misdadig te worden. Omdat zowat elke fysieke aanval op een mens niet zonder handen kan, droomt hij ervan zijn handen af te kappen. Uiteindelijk moeten ook zijn benen eraan geloven, waarmee hij een trap zou kunnen geven. Ten langen leste moet ook het hoofd eraf, want daarmee is een kopstoot mogelijk. Blijft over de romp als veiligste habitat: heel eenvoudig een kloppend hart te zijn. Maar het is niet leefbaar. Dat is het probleem.
Hij ziet het gebeuren bij anderen en ook bij zichzelf, hoe er slijtage optreedt, hoe de moraal afbrokkelt, hoe het uiterlijk vertoon steeds pompeuzer wordt. Hoe hij begint te geloven in zaken waaraan hij voordien nooit heeft geloofd. In materiële zaken, in individuele belangen, in plastieken liefdesaffaires, in een politiek die alleen maar corrupt zou kunnen zijn. De schelp is bezig zich te sluiten. Tegelijk begint er een stem te spreken, eerst als een piepen maar dan alsmaar luider, met een wrokkige ondertoon, een zweem van bitterheid en hoe zal dat eindigen? Het valt hem ook op hoe hij naar andere mensen begint te kijken, nog niet met afgunst, maar toch. Hij begint zich steeds mooier en duurder te kleden in een poging om, wat er in hem gaande is, te camoufleren. Hoe zal dat eindigen? Hij ziet zijn vader voor zich die in chique maatkostuums, sigaren rokend in advocatenbars grote sier maakt, nergens meer in gelooft, die zijn moeder heeft ingeruild voor een jongere versie en daarna op de dool gaat. Hij is nooit uit zijn weekendfilm gestapt en moeder ook niet, die sherry drinkend ten onder zal gaan.
Allemaal leugens. Leopold Thans is één grote leugen. Hij is een mens van niets, uitgedroogd. Een binnenvettertje. Die heeft helemaal nergens zin in. Zit daar maar aan zijn sluis, terwijl andere mensen nuttige dingen doen. Die doet de godganse dag aan introspectie, hangt zijn gedachten als kralen op een telraam en verbeeldt zich iets. Hij is waardeloos. Hij is nog minder dan slijk, raakt nooit verder dan zijn voorgeboorte. Leopold Thans heeft zichzelf zodanig uitgekleed dat niets hem nog past. Ooit lang geleden had hij een geheim, maar hij is het verloren, ergens in dat vadsige lijf. Hij weet nog dat het glinsterde en dat het was ingepakt in het zachtste papier. Hij denkt dat geheim nog steeds te bezitten, maar vindt er geen woorden voor. Dat is het probleem. Dus zit hij zijn hondse jaren uit met een gebroken blik en tracht te lijmen wat er nog te lijmen valt. Op zo’n man maakt men geen staat. Hij moet worden opgesloten in een zwarte kist gevuld met stenen, die kan dienen als anker voor schepen die in drukbezochte en levendige havens aanleggen. De kist zinkt weg in de bagger en wordt later door hardwerkende schippers en matrozen op sleeptouw genomen.
Bestel dit nummer of abonneer u op de Leeswolf
print  deze pagina printen of opslaan   print  stuur deze pagina door
© 2010 | vlabin-vbc vzw | another cms by dataweb