naar startpagina
“Het lezen geeft ons toversleutels om diep in ons de deur te openen van vertrekken waar we zelf niet hadden kunnen komen” Marcel Proust
“Lezen lijkt soms een exercitie om oprechtheid, moraal en waardigheid hoog te houden, juist op grond van het besef dat overal ter wereld voor deze begrippen elke grondslag onverbiddelijk ontbreekt.” Anneke Brassinga
"Het schrift vormt enkel de partituur van de aria die de lezer moet zingen." Francisco Umbral
“Men schrijft op louter het puntje van het weten, op het uiterste puntje dat ons weten scheidt van het niet-weten, en dat het een doet overgaan in het ander.” Gilles Deleuze
"Voordat ik de krant van vandaag inkijk, moet ik eerst nog even het Oude Testament lezen, het Symposium van Plato, de Odysseia van Homerus, de Metamorfosen van Ovidius en de Koran." Leonard Nolens
de leeswolf,  2007,  nr. 1 / februari
Let niet op de man achter het gordijn
Thomas Pynchons historiografische metafictie / door Kris Van Zeghbroeck
Bijna 10 jaar na zijn vorige roman, Mason & Dixon, staat cultschrijver Thomas Pynchon (geb. 1937) opnieuw in de schijnwerpers met zijn nieuwste turf, Against the day. De aanloop naar de publicatie ging niet onopgemerkt voorbij: midden juli verscheen Pynchons flaptekst plots op de site van Amazon.com, om na een paar dagen weer te verdwijnen. Naar verluidt een vergissing van de uitgever, maar het maakte dat pers en publiek druk speculeerden over het nieuwste product van de meest mythische auteur uit de hedendaagse Noord-Amerikaanse literatuur.

Die mythevorming heeft te maken met het ondergedoken bestaan dat Pynchon heeft geleid na zijn literaire doorbraak met de roman V. (1963), bekroond met de William Faulkner Foundation Award voor het beste debuut. Hij verdween plots letterlijk van het toneel: sindsdien slechts de wildste geruchten, geen interviews, geen publiek optreden en geen foto’s. Pynchon werd het schoolvoorbeeld van de ‘dood’ van de auteur, de fictie van het auteurschap. Zelfs latere literaire erkenningen konden hem niet uit zijn schuilplaats lokken. Een ingehuurde komische acteur zaaide verwarring door de National Book Award voor Pynchons derde roman, Gravity’s rainbow (1973), in ontvangst te nemen. De Pulitzer Prize van dat jaar werd wegens het zgn. controversiële en obscene karakter van het boek niet uitgereikt. En door later de Howells Medal (1975) voor zijn oeuvre te weigeren, distantieerde Pynchon zich steeds meer van publieke vormen van literaire erkenning. Eind jaren ’90 kwam er een barst in de Pynchon-mythe toen bleek dat hij vrij gemakkelijk kon worden opgespoord en gefotografeerd. Belangrijker echter is het engagement waarmee Pynchon met een zekere regelmaat de literaire pers haalt, zoals vrij recent met zijn verdediging van Ian McEwan i.v.m. een geruchtmakende beschuldiging van plagiaat. “Pay no attention to the man behind the curtain”: niet de man, maar wat hij publiceert is van belang.
Pynchon profileert zich doorheen zijn oeuvre als een controversieel en zwaar verteerbaar auteur, die het leescomfort ondermijnt door voortdurend de zekerheden in vraag te stellen waarmee je zijn werk benadert. Zijn faam is dan ook grotendeels te danken aan de moeilijkheidsgraad van zijn werk en de snelheid waarmee het tot jachtterrein van de academici werd verklaard. Zoals in het geval van James Joyce is er rond het werk van Pynchon een hele industrie ontstaan met honderden studies, oneindig veel artikels en een exclusief aan hem gewijd tijdschrift: ‘Pynchon Notes’. Hij wordt algemeen beschouwd als een van de prominentste stilisten van de hedendaagse Amerikaanse literatuur. Zijn romans zijn beladen met encyclopedische eruditie op wetenschappelijk, cultureel en historisch vlak; een gekunsteldheid die hij aanvult met verbale speelsheid onder de vorm van parodie en zwarte humor. Doorheen dat mengsel van ernst en komedie, van feiten en verbeelding, suggereert én ontkent Pynchon paradoxaal genoeg dat de afgebeelde werkelijkheid mogelijk een verborgen betekenis bezit. Midden in de chaos van de moderne existentie — die zijn reflectie vindt in de gefragmenteerde structuur van zijn romans — ondernemen zijn protagonisten onduidelijke en ingewikkelde zoektochten naar de eigen identiteit enerzijds en de zin en structuur van het leven anderzijds.
Twee hoofdthema’s die algemeen onderkend worden, zijn entropie en paranoia. Het begrip entropie, dat uit de warmteleer stamt, verwijst in algemene termen naar het feit dat elk organisme (onze planeet incluis) langzaam maar zeker op haar definitieve ondergang afstevent. De mens vervalt hierbij onherroepelijk in achtervolgingswaanzin, als enige manier waarop toch nog enige orde kan worden gebracht in de chaos van de hedendaagse maatschappij. De stelling is dat door een complot te vermoeden, je jezelf profileert als homogeen subject tegenover de rest van de (vijandige) wereld. Zo schrijven Pynchons personages een geordende structuur toe aan een wereld die anders toevallig en betekenisloos zou zijn. Mede doordat de auteur de gewoonte heeft de boeken te sluiten voor de zoektocht van de personages beëindigd is, blijft de twijfel overheersen. Zijn de waarnemingen van de personages werkelijkheid, paranoia of beïnvloed van buiten af?
Een heldere beschrijving van Pynchons vroege universum, uitermate dienstig als kennismaking en inleiding tot zijn oeuvre, vinden we in Slow learner (1984 — vert. Een trage leerling), een bundel vroege verhalen (1959-1964). In de uitmuntende inleiding schrijft de auteur wat hem er destijds toe bracht de verhalen te schrijven, en wat hij er goed en vooral slecht aan vindt. Daarnaast schetst hij het culturele klimaat waarin hij als jonge schrijver in het begin van de jaren ‘60 verkeerde. De kritische achtergrondinformatie maakt de verhalen toegankelijker en plaatst ze in een context. Zo vertonen ze reeds sporen van Pynchons latere thematiek, maar halen lang niet de kwaliteit van zijn romans.
V. (1963 — niet vertaald), Pynchons literaire doorbraak, brengt onder meer het relaas van Herbert Stencils geobsedeerde zoektocht naar de identiteit van V.: iemand of iets in het dagboek van zijn vader. Zijn zoektocht wordt bemoeilijkt door een overvloed van aanwijzingen die hij allemaal moet opvolgen. Tijdens zijn reizen ontmoet Stencil de ‘Whole Sick Crew’, een groep mensen wier decadentie en doelloosheid algemeen beschouwd worden als representatief voor de morele, sociale en culturele teloorgang van de westerse beschaving. Pynchon contrasteert de energieke Stencil met de zieltogende toestand van de ‘Whole Sick Crew’, als onderdeel van een diepgaand onderzoek naar de aard van het bezielde en het onbezielde. V. bevat ongeëvenaarde passages, zoals de beschrijving van een jacht op krokodillen in het rioolsysteem van New York, of de evocatie van de uitroeiing van een Afrikaans volk door de Duitsers in 1904.
The crying of lot 49 (1966 — vert. De veiling van nr 49), wordt beschouwd als Pynchons toegankelijkste roman, dankzij de beknopte ontwikkeling. Het boek draait rond Oedipa Maas, die werd aangeduid als de executrice van het testament van Pierce Inverarity, een Califomische vastgoedreus en haar ex-lief. Bij de uitvoering ervan ontdekt Oedipa mogelijke sporen van een eeuwenoud communicatiesysteem dat in het geheim concurreert met de Amerikaanse postdienst. De dieperliggende zoektocht naar een verloren Amerika in een tijd van sociale teloorgang, heeft er waarschijnlijk mede voor gezorgd dat dit werk in talloze Amerikaanse anthologieën werd opgenomen. 
De stuwende kracht achter de plot van Pynchons Gravity’s rainbow (1973 — vert. Regenboog van zwaartekracht) wordt bepaald door de inspanningen van hoofdpersonage Tyrone Slothrop en anderen, om te achterhalen waarom naderende raketten hem een erectie bezorgen. De geleidelijke reconstructie van een raket op basis van bij elkaar gezochte raketfragmenten loopt parallel met de desintegratie van zijn karakter. Van zodra de lezer de verhaalstukken in elkaar past, valt de held in fragmenten uit elkaar, die mogelijk tot consistente en zelfstandige personages uitgroeien. Naar het einde van het boek suggereert een personage dat Slothrop seksueel aangetrokken zou worden door zijn eigen dood en die van de mensheid. In dit diepgravend meesterwerk verbindt Pynchon een breed scala van menselijke activiteiten met de massavernietiging van de Tweede Wereldoorlog. Deze doorgedreven meditatie over de dood, vermengt feiten met verbeelding en komedie met brutaliteiten, ontwikkelt verregaande symbolische duidingen en biedt verschillende perspectieven aan op historische gebeurtenissen. Naast de suggestie dat de westerse samenleving actief een dodencultuur promoot met de ontwikkeling van wapens als V-2 raketten en de atoombom, verbindt Pynchon vooruitgang in wetenschap en technologie met historische structuren, politieke, economische en sociale waarden en internationale kartels die de oorlogsactiviteiten ondersteunen. 
Bijna 17 jaar liggen tussen de publicatie van Gravity’s rainbow en Pynchons volgende roman, Vineland (1990 — vert. idem). De titel verwijst o.m. naar Amerika zoals het ontdekt werd door de viking Leif Erikson, maar ook naar een fictief gebied in het noorden van Californië, de laatste wildernis die nog niet in kaart werd gebracht. In de jaren ‘80 fungeert Vineland als een schuilplaats voor bejaarde veteranen van de tegencultuur van de jaren ‘60, die een veilige plaats zochten voor de repressie van overheidswege. De roman concentreert zich in de eerste plaats op Prairie Wheelers zoektocht naar haar moeder, Frenesi Gates: ex- lid van een radicale groep die de corruptie en de hypocrisie van de Nixon-regering aan de kaak wou stellen. Hoewel de roman een overvloed van personages en subplots bijeenbrengt en elementen combineert van soap opera en politieke thriller, lijkt Vineland globaal gezien minder ambitieus in visie en thematiek dan Pynchons vorige werken.
Toch blijft het een belangrijk boek, omdat hier een verschuiving plaatsvindt in Pynchons postmoderne oeuvre. Zo wordt er een onderscheid gemaakt tussen het postmodernisme dat dominant was in de jaren ’60, ’70 en ’80 (“a set of concerns and formal operations — including a frequent use of irony, and pastiche, an interest in the layering of historical interpretations, and a strong paranoid strand”) en het postmodernisme van de jaren ’90 en het nieuwe millennium (“which reflects the impact of French poststructuralist thinking within the academic confines to which postmodernism had retreated by the 1980s”). Die ontwikkeling speelt een rol in Pynchons graduele verschuiving naar een realistischere en meer politieke stijl en inhoud: “a move away from the representation of extreme paranoia, towards a vision of local ethico-political possibilities”. Zo is er sinds Vineland een groeiende onderstroom van politieke en ethische sérieux te detecteren.
In Mason & Dixon (1997 — niet vertaald) voert Pynchon twee 18e-eeuwse historische figuren ten tonele: Charles Mason en Jeremiah Dixon. Twee Britse astronomen en landmeters, vooral bekend voor het vastleggen van de zgn. ‘Mason-Dixonlijn’, de grens tussen Pensylvania en de zuidelijke staten: de symbolische slavernijgrens. Hun relaas wordt na hun dood gebracht door ene dominee Cherrycoke, die verhalen vertelt uit zijn spirituele dagboek om zijn tweelingsneefjes te amuseren. Zo ontspint zich een meesterlijke historische roman (met een bovennatuurlijke (gothic) inslag), die voortdurend de grenzen van het genre en de vertakkende plot verlegt. Het complot van dienst is een onzichtbare, hogere macht die alles en iedereen tot marktwaar reduceert, met wereldwijde slavernij als gevolg. Als vanzelfsprekend wordt om de haverklap een loopje genomen met de historiciteit van de gebeurtenissen en debiteert de dominee maar al te graag standpunten van mensen die hij nog nooit ontmoet heeft. Een voortdurend herschrijven van de geschiedenis eigen aan de historiografische metafictie die Pynchon in zijn oeuvre hanteert om een inkijk in de Amerikaanse ziel te bieden. 
Met zijn laatste roman, Against the day (2006 — vert. eind 2007 bij De Bezige Bij), lijkt Pynchon zijn “multiversum” in het kwadraat te willen vermenigvuldigen. Niets staat stil: oneindig veel bladzijden, hoofdpersonages en locaties verdringen elkaar in het najagen van uiteenlopende verhaallijnen die zich afspelen over een periode van zo’n dertig jaar (van 1893 tot de vooravond van de Eerste Wereldoorlog (op een korte naoorlogse coda na), van de Rocky Mountains tot de Himalaya en de Noordpool tot de Zuidpool). De oudejongensclub annex ballonvaarders, de ‘Chums of Chance’ wier avonturen in afleveringen verschijnen, bijten de spits af en vormen een soort kadervertelling waarbinnen de totale (zij het verregaande gestructureerde) chaos en anarchie uitbreekt. Doorheen zijn roman parodieert Pynchon populaire genres als sciencefiction, de western en de spionageroman. De Jules Verne-achtige ‘Chums of Chance’ vertrekken op een expeditie naar Antartica en ontmoeten onderweg een paar tijdreizigers die een vooruitblik bieden op de nakende wereldoorlog: “Damn you all. You have no idea what you’re heading into. This world you take to be ‘the’ world will die, and descend into Hell, and all history after that will belong properly to the history of Hell.” In de handen van Pynchon wordt tijd/geschiedenis een vloeibaar gegeven, zodat Against the day niet enkel een allegorie wordt op het verleden in het hedendaagse, maar ook op het hedendaagse in het verleden.

Thomas Pynchon: Against the day, Penguin 2006, 1085 p., € 50,60. ISBN 1-59420-120-X
Distributie: Penguin Books Benelux
Bestel dit nummer of abonneer u op de Leeswolf
print  deze pagina printen of opslaan   print  stuur deze pagina door
© 2010 | vlabin-vbc vzw | another cms by dataweb