![]() |
|
|
de leeswolf, 2009, nr. 8 / november
Baggerwerk (8)
Niss ja niss / door David Nolens
Het begon eerder deze week toen hij telefoon kreeg van een
journalist die hem wilde interviewen naar aanleiding van zijn laatste boek. Hij
zat in de sluistoren en keek uit over het uitgestrekte landschap van het
voorland, waar de twee rivieren uitmonden in het kanaal. Het laatste uur
mijmerde hij over het probleem van het eerlijke motief. Want eenmaal een motief
tot schrijven werd herkend als impuls, zou het dan niet reeds ten einde zijn,
zodat de considerans waarmee het schrijven aanvatte onnozel werd? Was dat ook
niet de bodem van het probleem, dat elke handeling opschortte, omdat reeds in
de eerste beweging de handeling in wezen al voltooid was? En moesten we daarom
niet met z’n allen gewoon de motieven omzetten in de impulsen die ze eigenlijk
al van in het begin waren en ze vervolgens in de kiem smoren, omdat hun
potentie om uit te groeien in werkelijkheid slechts een herhaling was van
alles? Met die overwegingen lag Leopold Thans onbeweeglijk verzonken in een
betonnen troon van dertig meter hoogte in een donkere zondagsrust van een
verfijnde, heerlijke verveling. Toen rinkelde de telefoon.
De sluiswachter nam weigerachtig de hoorn van de haak en wist na het gesprek slechts te melden aan zichzelf, dat de volgende dag een journalist hem aan de sluis zou komen opzoeken. Er was wel ooit eens iets over zijn boeken verschenen in dagblad of magazine, maar nog nooit was hij geïnterviewd. En wat er over zijn boeken was gepubliceerd, had hij nooit kunnen lezen, omdat het in een onbekende taal was geschreven. Hij had die enkele keren telkens moeten besluiten dat hij per ongeluk een buitenlands dagblad of magazine uit het rek had genomen en dat hij zich eerst die vreemde taal zou moeten eigenmaken alvorens hij zou kunnen begrijpen wat er precies over zijn boek werd gesteld. Ook de journalist aan de andere kant van de lijn, duidelijk afkomstig uit het achterland en misschien zelfs uit de hoofdstad, had hij amper verstaan. Tijdens het korte gesprek had Leopold slechts oog gehad voor een reiger die op de radartoren zat en die hem aankeek als een broer. Opnieuw verzonk de sluismeester in een beschouwing, ditmaal over het gegeven van de slechte tijding. Bestond het onderscheid wel tussen goede en slechte berichten als hij in overweging nam dat elk goed bericht meteen ook verwees naar een slecht bericht? En als hij vanuit deze gedachte het onderscheid ongedaan maakte en verder elke betekenis in de wacht zette, moest hij dan, omdat alles niets was, nog wel verder denken en handelen? De zondag ging verder op in deze postmodernistische roes, die hem al sinds zijn jeugd bedwelmde en die hij steeds weer aangreep om zich met reden te ruste te leggen. Ook de volgende dag, nadat hij niet naar huis was gegaan en in de sluistoren had overnacht, vermeide hij zich in uiteenlopende problematieken die hij, dat wist hij op voorhand, allemaal tot hetzelfde terugbracht. De afspraak met de journalist begon hem pas te dagen toen hij zag hoe in de verte een stip zich voortbewoog. Een uur later werd de stip een auto en nog een uur later zag hij de kleur van het koetswerk: ravenzwart. De volgende uren stelde hij met verbazing vast hoe de achterlander telkens dezelfde fout maakte. De journalist slaagde er niet in om de juiste weg te kiezen en reed kriskras door het voorland van vliet naar kreek. En dit terwijl het voorland zich eenvoudig en helder uitstrekte en de sluistoren een baken was. Dan brak een korte periode aan waarin Leopold Thans het bestaan van de journalist vergat. Hij peinsde over een boek zonder richting en zonder spanningsboog en van een weldadige leegte, toch niet nihilistisch van opzet, maar van een opbouwende leegte als een zich steeds herhalend begin. Omdat zo’n boek helemaal niet geschreven moest worden, want als idee evenveel bestaansrecht en materie had, verwierf hij de toestemming om ontspannen achterover te leunen, alsof het werk reeds was voltooid. Hij sloot de ogen en werd ouder. Na zijn droom dompelde hij zijn hoofd onder in een wasbak met koud water en besloot vervolgens om zich niet af te drogen. Hij nam een stokdweil uit de kast en maakte de ruimte waarin hij zat, schoon. Hij ging weer zitten en rookte een sigaret met een weinig hasjiesj. De intercom rinkelde en op het display verscheen een hoofd. Leopold Thans gaf hem de instructie de lift te nemen. Eenmaal boven deed de journalist of er niets aan de hand was en hij dus niet uren was verdwaald in het voorland. Hij schakelde een recorder in en stelde zijn eerste vraag. Die klonk zo: ‘Liksali zum these ja dass liber niss ja niss et laksi zum apathiesser tode?’ Daarop antwoordde Leopold Thans: “Het boek gaat in de eerste plaats over een wachten. Ik zou zelfs durven zeggen dat het gaat over een wachten op het wachten. Een soort tijdelijke voorruimte, uitermate geschikt om het probleem te benaderen.” Waarop de journalist vroeg: “Aber snake ja forlandiss kunstlersi ja hardlersi niss publik niss popular aber kaptif?” En hij voegde daar nog deze bedenking aan toe: “Ich kafkasi et borgesi aber niss ja niss boredosi totalis.” Daarop zei de sluiswachter: “Het is erg moeilijk en niet aan iedereen gegeven.” De journalist was het daar niet mee eens en riep: “Niss ja niss extravaganssi aber tiempo humanis farchetsi!” Leopold, die anders nooit ongeduldig werd, sloeg met zijn vuist op zijn laatste boek. Hij begreep maar niet waar de journalist heen wilde met het gesprek. Ze praatten naast elkaar. Hij probeerde nog dit: “Mijn geschiedenis in het achterland was een vlekkeloos parcours van oorlogen en bloedverlies, van eindeloos gekneed worden in deze of gene vorm.” Nadat hij dit had gezegd, ging het gesprek nog een tijdje door, waarna de journalist met de moed der wanhoop zijn terugrit naar de hoofdstad aanvatte. En nu leest de sluismeester de kop boven het krantenartikel, die luidt: “Leopold Thans niss ja niss aber pertotale et promesi.” Bestel dit nummer of abonneer u op de Leeswolf
|
|
||||||||
| © 2010 | vlabin-vbc vzw | another cms by dataweb |