![]() |
|
|
de leeswolf, 2009, nr. 8 / november
Geen bezoek, geen bloemen
Pleidooi voor een koel afscheid van de dagbladkritiek / door Matthijs de Ridder
Cultuurpessimisme is niet alleen een vermakelijke bezigheid, maar ook een al te gemakkelijke sport. ’s Avonds in het café lijkt de ondergang van het avondland altijd dichterbij dan welke imaginaire heilstaat ook en het verval van het klassieke Bildungsideaal en de algemene vervaging van de culturele bagage lijken dan eenvoudig terug te voeren op de immer slinkende boekenbijlagen en culturele supplementen van wat ooit met recht de ‘kwaliteitskranten’ werden genoemd. Zoals elke vorm van doemdenken is ook het cultuurpessimisme een achterhoedegevecht. Als je nog slechts kunt vrezen dat het nooit meer goed komt, dan is het kwaad immers allang geschied.
Dat wil natuurlijk niet zeggen dat de journalistiek, en de manier waarop literatuur en cultuur door die journalistiek worden behandeld, niet kritisch tegen het licht mogen worden gehouden. Het is ontegensprekelijk zo dat de recensies in kranten en tijdschriften er de afgelopen tien jaar alleen al in volume sterk op achteruit zijn gegaan. Dat betekent niet alleen dat er minder lange besprekingen worden gepubliceerd, maar ook dat er steeds minder boeken, voorstellingen of tentoonstellingen aan bod komen. Die constatering is onderhand al zo oud dat ik haar eigenlijk niet eens meer hoef te herhalen. Er is minder literatuur- en cultuurkritiek dan vroeger. De vraag is echter of dat erg is. Nee, beweren de kranten die claimen dat de kritiek die zij tegenwoordig brengen op de maat van de consument gesneden is: snel, gericht op de actualiteit en vlot gepresenteerd. Ja, zeggen de mensen die terugverlangen naar het oude ‘Vrij Nederland’, ‘De Morgen Boeken’, ‘Standaard der Letteren’ en ‘De Tijd Cultuur’ of jaloers zuchten bij de gedachte aan het ‘Times Literary Supplement’. Maar dwalen zij niet allebei? Is het voor de kritiek én de kunst niet veel beter dat de traditionele massamedia hun culturele bijlagen afschaffen? Laten we de redenering nl. eens omdraaien. Niet het feit dat de boekenbijlagen en culturele supplementen in omvang en belang afnemen is vreemd, het feit dat ze nog bestaan is een bijna onverklaarbare anomalie. Er zijn wereldwijd nl. nog maar een paar kranten die niet op basis van een commercieel format worden gemaakt. Het bekendste voorbeeld is wellicht de ‘Frankfurter Algemeine Zeitung’, de krant die nog niet zo lang geleden schoorvoetend overging tot het plaatsen van kleurenfoto’s op de voorpagina, maar die van haar spreekwoordelijke saaiheid een handelsmerk heeft gemaakt. En inderdaad, zo is er maar één. Dat kan ook niet anders. Deze internationaal vermaarde krant kent een oplage van slechts 400.000 exemplaren en daarmee is ze fors kleiner dan bijvoorbeeld de Nederlandse ‘Telegraaf’ (690.000 exemplaren) en maar net iets groter dan ‘Het Laatste Nieuws’ (370.000 exemplaren). In een land met meer dan 80 miljoen inwoners is dat een bedroevende score. Elke commerciële doorlichting laat dan ook zien dat kwaliteit (of meer to the point: de diepgravende, lange tekst) niet rendabel is, zeker niet als je opereert in regio’s met maar 6 of 16 miljoen mensen. Een krant moet nu eenmaal verkopen en dat lukt gemakkelijker met een koppel ferme tieten op pagina drie, dan met een doorwrochte analyse van de poëzie van Nachoem Wijnberg in een bijlage. (Van wie? Precies!) Dat die bijlagen er desondanks nog zijn, is te danken (of te wijten) aan het laatste restje ‘idealisme’ dat nog in de samenleving — die hier voor het gemak even vertegenwoordigd wordt door de grote uitgeefconcerns — schuilt. Cultureel bewustzijn is iets dat we hoog in het vaandel voeren en dus prominent in de krant zetten. Hoewel de gemiddelde gemeentelijke verordening impact heeft op het leven van veel meer mensen dan Richards Wagners ‘Der Ring des Nibelungen’ in de regie van Ivo van Hove, is doorgaans alleen het laatste evenement nieuws. Daar kunnen we op zich blij om zijn (hoewel het ook wel aardig is om te weten waarom de gemeentebelasting precies zo hoog of zo laag is als ze is), het probleem is alleen dat ‘we’ zijn vergeten waarom een opera ook al weer belangrijker is dan een gemeentelijke verordening. Cultuur is belangrijk omdat dat zo is. Toch? Als je de krantenmakers mag geloven, gaat het vooral om het bestaan van de cultuurkritiek en niet om het wezen ervan. En in dezelfde kapitalistische logica waarin het een slecht idee is om een krant heel erg degelijk te maken, is dat waar. Een boek dat in de krant heeft gestaan, verkoopt doorgaans (iets) beter. Hetgeen uitgevers aanzet om voor boeken te adverteren in diezelfde bijlagen, waardoor de lezer geïnformeerd raakt over het bestaan van een boek, de krant extra inkomsten puurt uit het onderhouden van een hypergespecialiseerde bijlage en dus iedereen tevreden is. Alhoewel? Dezelfde logica die de echo van een idealistisch besef en de wetten van de markt aan elkaar knoopt, zorgt er ook voor dat de weg vrij wordt gemaakt voor een zeer journalistieke opvatting van de literatuur- en cultuurkritiek. Een opvatting dus waarin het besteden van aandacht aan een boek of een voorstelling veel belangrijker is dan de kwaliteit van de kritiek op zich. Het gaat erom dat de voor een groot publiek belangrijk geachte werken uit het overweldigende aanbod worden gelicht. En dat levert haast geprefabriceerde kritiek op, waarbij reputaties, nominaties en prijzen de belangrijkste argumenten vormen en het begrip literaire kwaliteit dienstbaar wordt gemaakt aan de aldus ontstane consensus (of aan het perfecte tegendeel daarvan). Maar kan het ook anders? Kan er in een medium dat moet beantwoorden aan de wetten van de markteconomie — er móet immers geld worden verdiend — een onafhankelijk kritisch discours worden ontwikkeld? Is de roep om diepgravende analyses en afgewogen oordelen in een krant niet hetzelfde als de roep om biologisch vlees bij de groenteboer? In beide gevallen heeft de ondernemer het gevraagde product simpelweg niet in zijn assortiment. We moeten er dus misschien gewoon mee ophouden om kranten (en opiniebladen) als de uithangborden van onze cultuur te beschouwen. Ze zijn wat ze zijn: commerciële ondernemingen die zich — en terecht — geen ideële opdracht laten aanmeten. Zeker de onderafdelingen die volgens het format onder het kopje lifestyle vallen niet. Hier zijn de beroepscodes die objectiviteit, onpartijdigheid en feitelijke correctheid beloven niet van kracht. Hier gaat het om wat je erbij voelt en eigenlijk ook om wat je erbij eet en drinkt en op welke Bekende Vlaming, Nederlander of Internationale Ster je lijkt als je het óók zo goed vindt. Op zich is daar overigens helemaal niets op tegen, maar van een uithangbord voor onze cultuur verwachten we doorgaans iets meer of in ieder geval iets anders. Het probleem is dat we de literaire en culturele bijlagen niet zomaar kunnen behandelen als praktische overzichten, zolang de gedrukte massamedia zich geen ideële opdracht laten aanmeten, maar zich wél op het daaraan gekoppelde culturele prestige laten voorstaan. Ook hier werkt het minder commerciële verleden van de journalistiek door. Zolang er af en toe nog een goede bespreking verschijnt, of een column die een apart licht op de zaak werpt of een interessant opstel van een befaamd schrijver, zullen die media voorlopig het voordeel van de twijfel krijgen en zullen mensen (belanghebbenden) blijven verlangen naar iets dat nooit meer terugkomt. Door het systeem van boekenweken, boekenbeurzen en prestigieuze literaire prijzen die om de paar maanden met steun van de ‘mediapartners’ worden georganiseerd en dus breed worden uitgemeten, wordt dat verlangen bovendien gestimuleerd. Met de regelmaat van de klok bevestigen ‘instituten’ immers dat de boeken die toch al ‘goed’ waren bevonden door de recensenten werkelijk ‘niet te missen’, of ‘essentieel’ zijn. Het echte probleem schuilt dan ook in het feit dat de massamedia hun door een lifestyle-ideologie gedreven, commerciële één-tweetjes met de culturele sector als literatuur- of cultuurkritiek verkopen. Het probleem is dat men claimt goede van slechte kunst te kunnen onderscheiden, terwijl men eigenlijk alleen peilt naar populariteit, spanning, ophef, schandaal, plezier enzoverder. Ook in die zin onderscheidt een krant zich niet van een bedrijf: het product wordt net iets beter voorgesteld dan het is. Het verschil is echter dat aan dit product zoveel culturele waarde wordt toegekend, dat het het culturele debat kan bepalen. En dat betekent dus dat de discussie over kunst wordt gedicteerd door de wetten van de media, die op hun beurt weer worden gedicteerd door de wetten van de markt. Met als afschrikwekkend resultaat dat het debat voor een zeer groot deel zonder argumenten wordt gevoerd. Iedereen heeft immers recht op een mening of een gevoel en degenen die hun gevoel elke week in het format van hun krant of tijdschrift weten te proppen, bepalen de agenda. De journalist als mankende universele intellectueel De literatuur- en cultuurkritiek worden dus steeds meer geregeerd door de wetten van het medium. En andersom kun je je als krantenrecensent alleen maar staande houden als je je naar de eisen van het medium schikt. De Rotterdamse filosoof Henk Oosterling heeft dit verschijnsel ‘radicale middelmatigheid’ genoemd. De mens geeft zich in zijn visie in toenemende mate over aan de maat der middelen, waardoor de manier waarop iets wordt overgebracht boven dat wat er overgebracht wordt, komt te staan. Het gevolg is dat de mens handelt in dienst van de media en dus middelmatig wordt. Waarmee natuurlijk ook bedoeld wordt dat de middelmatigheid in haar alledaagse betekenis om zich heen slaat. Een symptoom van die middel-matigheid is het geleidelijk verdwijnen uit de dag- en weekbladen van wat je ‘specifieke intellectuelen’ zou kunnen noemen. Zeker in de jaren ‘70, ‘80 en een groot deel van de jaren ‘90 werd met name de literatuurkritiek uitbesteed aan mensen die ervoor hadden doorgestudeerd en die iets te vertellen hadden aan mensen buiten hun eigen kring. Dat was een wisselwerking die overigens ook de andere kant op werkte. Er was een zekere doorstroom van de kritiek naar de academie. Criticus-van-de-praktijk Kees Fens werd bv. hoogleraar in Nijmegen en op dit moment werkt Piet Gerbrandy aan een proefschrift waarin hij zijn opvattingen over de poëzie in een homogeen kritisch discours giet. Hoewel een enkeling dapper standhoudt, zijn deze specialisten grotendeels verdwenen uit de boekenbijlagen. Soms afgeserveerd omdat men steeds minder behoefte zegde te hebben aan het soort literatuur dat men besprak, veel vaker met stille trom vertrokken omdat men zich niet serieus genomen voelde. Dat dit vaak met wrok en bitterheid gepaard ging, is begrijpelijk, maar eigenlijk voltrok zich hier iets heel simpels: het journalistieke format werd meer en meer onverenigbaar met de taakomschrijving van de specialist. Voor de een was de literatuur een onderdeel van een commercieel product, voor de ander was het schrijven van kritieken een vorm van maatschappelijke dienstverlening. In veel gevallen bleken de kritische ambities niet meer tegen de verwachte middel-matigheid opgewassen. ‘De beste pennen schrijven voor De Morgen’, luidde de laatste tijd de slogan van het ‘onafhankelijke dagblad’. Hoewel er nog wel een schrijver geïmpliceerd is, is het veelbetekenend dat ook hier weer het middel centraal staat. Het is de pen die voor het medium schrijft. Wie die pen vasthoudt, is niet zo heel belangrijk. Schrijft hij voor deze krant, dan zal hij immers wel de beste zijn. Wat men schrijft, is dientengevolge ook van ondergeschikt belang. Dàt men schrijft, is het voornaamste. Dat is precies het punt waarop het nu mis gaat. De plek van de specialist is overgenomen door de beroepsjournalist, die op last van het format het begrippenapparaat van zijn voorganger heeft weggegooid, maar zich wel zijn expertstatus heeft aangemeten en dus ‘de beste’ is. En dat onder het motto: kijk pappa, zonder tanden. Men zweert dus bij journalistieke heilige koeien als nieuwswaarde, actualiteit en toegankelijkheid, en heeft de lezer ‘bevrijd’ van intellectualisme of andere moeilijkdoenerij. Dat die overgang zo plots en toch zo geruisloos is gegaan, heeft deels te maken met de algemene opkomst van een anti-intellectualistisch discours. In bijna alle geledingen van de samenleving is ‘moeilijk’ een scheldwoord en wordt iemand die niet meteen een praktische toepassing heeft voor zijn kennis met de nek aangekeken. Werkelijk alles moet begrijpelijk worden gemaakt voor iedereen; ook de zaken die per definitie gecompliceerd zijn. Dat betekent ook dat iedereen zich over alles kan uitspreken. En het betekent vooral dat de journalist zichzelf steeds nadrukkelijk als expert naar voren schuift. In politieke en economische kwesties laat men zich nog wel eens bijstaan door een fotogenieke professor, maar voor ‘zachte’ vakken als de cultuur- en literatuurwetenschap, lijkt dat totaal overbodig. In een wereld waarin iedereen precies zo slim is als hij wil zijn (en het beslist niet kan verdragen dat men via de massamedia tracht hem nog slimmer te maken) kunnen de media zo uitgroeien tot een echte macht. Bij ontstentenis van een draagvlak voor verdieping en nuance, begint en eindigt alles immers in het midden. Niet alleen wordt daar de selectie gemaakt, er wordt ook beslist wat men precies over een onderwerp behoort te weten. En omdat een centrum nu eenmaal alles aan zichzelf toetst, is op den duur alleen datgene nieuws wat al ooit nieuws is geweest of wat eerst door de media is gehyped. Zo wordt de verslaggever dus nieuwsmaker en de journalist een universele intellectueel, zij het een gemankeerde, met slechts on demand wikipediakennis. Geen bezoek, geen bloemen Het grootste probleem hierbij is dat de media hun eigen beperkingen nauwelijks nog kunnen zien, al simuleren ze alwetendheid. Neem nu het optreden van Marc Cloostermans, freelance literatuurcriticus van ‘De Standaard’ en een schoolvoorbeeld van het soort in zichzelf opgesloten journalist dat ik hier toch enigszins karikaturaal heb beschreven. In een opmerkelijk fel stuk over schrijver, journalist en tv-figuur Paul Baeten Gronda stelde hij in ‘De Standaard’ van 9 oktober 2009 een “kwalijk mediafenomeen” aan de kaak. Baeten Gronda zou de aandacht die zijn boeken genereren nl. niet te danken hebben aan zijn literaire kwaliteiten. Als medewerker van ‘De Morgen’ en vaste gast bij ‘De Laatste Show’ is hij onderdeel van het mediameubilair, hetgeen je als zondagse schrijver heel wat onverdiende aandacht oplevert. Zo is althans de redenering van Cloostermans, die losjes refererend aan een aantal storende elementen in Baeten Gronda’s tweede roman de schrijver als een “amateur” en een “aperte oplichter” afserveert. “Waarom wordt dat boek dan toch gerecenseerd in de beste boekenbijlage van België?” vraagt hij zich vervolgens bescheiden af. Juist omdat hij “de gênantste exponent van een kwalijk fenomeen” is, lijkt het vanzelfsprekende antwoord. De scherpe criticus wil een echte literaire gids zijn en zijn lezer waarschuwen voor het slechtste wat de Vlaamse letteren te bieden hebben. Maar hij doet natuurlijk precies het omgekeerde. Het recalcitrante oordeel is de laatste strohalm voor critici als Cloostermans, die eigenlijk geen idee hebben waarover ze spreken. Door precies het tegendeel te beweren van wat zijn collega’s zeggen, denkt deze recensent intelligent uit de hoek te komen, terwijl hij niet veel meer doet dan dezelfde partituur in omgekeerde volgorde te spelen. Zijn negatieve oordeel is immers gebaseerd op precies dezelfde argumenten als het positieve oordeel van de anderen. Cloostermans probeert nog wel even te schermen met een handboek narratologie om zijn ergernis over het gebruik van wat mankende literaire techniekjes kracht bij te zetten, maar tot een analyse van de roman komt hij nergens. Ook hier lijkt de kritiek op zich niet de eerste bekommernis te zijn geweest. Het gaat om de mening van de recensent, die weliswaar even ongefundeerd is als de mening van om het even welke andere recensent, maar die van groter belang wordt geacht omdat ze verschijnt in “de beste boekenbijlage van België”. Bij ontstentenis van een visie heeft het medium dus andermaal gelijk. Dat is precies de reden waarom alternatieven niet alleen wenselijk, maar zelfs noodzakelijk zijn. Want hoeveel je ook kunt inbrengen tegen de staat van de cultuur- en literatuurkritiek in de dag- en weekbladen, de culturele sector blijft grotendeels afhankelijk van pers en publiciteit. Men is overgeleverd aan slechte kritiek, maar wordt tegelijkertijd niet meer uitgedaagd door een doorwrocht kritisch discours en raakt dus steeds meer op zichzelf aangewezen. Dat betekent dat de kritiek alleen nog maar invloed uitoefent op de kaart- of boekverkoop. Heeft een dergelijke kritiek bestaansrecht? Absoluut, zolang ze zich ook als zodanig voordoet. Als beredeneerde gids en partner van publiciteitsmachines als de boekenbeurs en De Gouden Uil, hebben de bijlagen ongetwijfeld nog een lange toekomst voor zich. Dat leven komt ze toe. De cultuur- en literatuurkritiek kunnen hun heil echter beter elders zoeken en zeer koeltjes — geen bezoek geen bloemen — afscheid nemen van de gedrukte massamedia. Voor degenen die het cultuurpessimisme voorbij zijn, is het een uitdaging om een toegankelijk, maar uitdagend kritisch discours uit te bouwen op een plek waar ruimte geen probleem is en waar je het format zelf kunt bepalen. Op het internet dus, waar het medium voorlopig vooral mogelijkheden biedt en geen belemmeringen oplegt. Bestel dit nummer of abonneer u op de Leeswolf
|
|
||||||||
| © 2010 | vlabin-vbc vzw | another cms by dataweb |