![]() |
|
|
de leeswolf, 2009, nr. 9 / december
Baggerwerk 9
Het einde / door David Nolens
De bazen op de Olympus werden langzaam wakker, wreven de
bonussen uit hun vermoeide ogen en maakten de rekening. Vanuit hun
hoofdstedelijke toren in het achterland tuurden ze met verrekijkers naar het
voorland en kregen de lenzen nooit zo scherp afgesteld dat ze enige activiteit
ontwaarden. “Dat laagste personeel, die simpelen van geest, die gestalten van
broek en kepie, die in de mist ronddwalen, zijn,” zegden ze, “even productief
als gesubsidieerde kunstenaars.” Die wachters waren het tegendeel van de bazen
door wie ze werden betaald, van de overheid dus, de wakers. Er zou worden
gesnoeid in Leopold Thans en zijn collega’s. Er zou worden gewied in het
onkruid dat uit deze mensen groeide; het onkruid dat ze waren; de bloemen die
ze droegen. De bazen zegden: “Deze mensen leven ver boven hun stand.” Deze
laatste aristocraten van het voorland, die leefden in de luxe van buitenspel te
worden gezet, die meewarig keken naar treinreizigers van verzengende identiteiten.
Die ochtend, terwijl hij wijdbeens tegen een struik stond te plassen, werd Leopold Thans gewaar hoe hem de pijn van alle mensen te beurt viel. En dat deze pijn zijn geluk was. Omdat hij als sluiswachter alle tijd had om er de smaakprikkels van te ontleden. Hij verbeeldde zich dat hij wachtte voor iedereen, dat de wereld nood had aan een wachter, geen grote en belangrijke, maar net een heel kleine, die niemand wist wonen; een pendule van vlees en bloed. In het achterland, wist hij, dacht men nogal gauw dat zo iemand dood was, dat zo iemand, zoals men zegde “dood is maar het nog niet weet”, terwijl Leopold zich nog nooit zo levend had gevoeld als in dit trage gebaar van stilte en eenzaamheid, terwijl hij zich toch niet had geforceerd in het verhaal van een ander. En omdat hij in staatsdienst was, voelde hij zich gehonoreerd. Voorts werd hij gesterkt door de aanwezigheid van zijn collega’s op bruggen en sluizen aan het kanaal. Ook zij zaten daar met hun hoofd. Maar de tijd was er niet naar. Mensen die zich om den brode vervreemdden, riepen weerzin op. Hij beet naar het achterland, weliswaar met een tandeloze mond, ook naar het vuil dat afwaarts kwam gedreven. Van schrijven kwam niets onder deze verdrukking van het hoofd. Leopold zat met zijn collega’s in de sluistoren, in een illusoir verbond van enkelingen. Ze aten beuling met appelmoes, dronken er Duvel bij, rookten sigaretten. Ze lieten hun teksten, de gedachten van de laatste weken, de enige materialisatie van hun arbeid, naar beneden dwarrelen. Ze lazen om beurten hardop voor uit Pallieter van Felix Timmermans. En net als Pallieter ging Leopold “in zijnen blooten flikker naar” beneden “en sprong zoo maar rats het hooge water in, duikelde naar onder en kwam weer blinkend van water en geluk, naar asem scheppend, in het midden boven. De waterkoelte deed het bloed in zijn lijf opspringen, het deed hem deugd, en hij lachte.” Die hoofden van zijn collega’s staken vanop dertig meter hoogte door de raampjes van de sluistoren en ook zij lachten en zwaaiden met hun kepies als net afgestudeerden. Maar het plezier was van korte duur. Het tijdstip was aangebroken waarop het stakingspiket van de sluiswachters zou worden doorbroken. Als immense varkens, dagelijks vetgemest met timesheets, bedrijfswagens en bonussen, kwamen de bazen van het achterland naar het voorland. Op hun vadsige roze koppen was de letter A gebrandmerkt, als teken van de hoogste schaal waarin deze ambtenaren door de overheid werden tewerkgesteld. De sluiswachters waren van schaal D, maar droegen dit eigendomsmerk niet op hun huid, omdat ze er geen recht aan konden ontlenen. Het agentschap waarvoor zij werkten, was de laatste jaren op zijn kop komen te staan. De hiërarchische piramide met een stevige basis van D-personeel was nu omgedraaid, met een enorme bovenbouw van A-bazen, die steeds meer wilden besparen. De piramide wankelde op haar spits. Aan weerskanten van de sluis lag een tiental schepen te wachten tot de staking zou worden opgeheven. Leopold Thans was via de ladder uit de sluiskolk naar boven geklommen en stond nu naakt op een bolder, terwijl de varkens aan kwamen marcheren. Als een parel voor de zwijnen, die zich nu voor hem in colonne hadden geposteerd. Hij droeg aarzelend een gedicht voor, dat hij moeizaam ter plekke en uit het hart improviseerde: Wat is het probleem van de sluismeester Als ik niet zoek maar wacht in de luxe Van anders dan ieder niemand te worden Aan een sluis van langzaam zwijgen De echte luxe van buitenspel te worden gezet In een vlakgom van polders en moerassen Reik met lange, zwarte vingers naar middagzon Onwelkom en toch gekomen is kristalhelder Ik weet wie ik ben: een wachter op de grens Vertel eens: wie verpoost in den vreemde Als een dichter op een geschaafd eiland Dat ben ik, die het verloren kapitaal raapt Van een voorland, geknot en gewilgd Bloedblikken naar de naakte op de bolder Waar ik sta in mijn uitmuntende verveling Als een kunstwerk van een nieuwe aristocratie Toen ontblootten de varkens hun tanden en sprongen voorwaarts… Bestel dit nummer of abonneer u op de Leeswolf
|
|
||||||||
| © 2010 | vlabin-vbc vzw | another cms by dataweb |