naar startpagina
“Het lezen geeft ons toversleutels om diep in ons de deur te openen van vertrekken waar we zelf niet hadden kunnen komen” Marcel Proust
"Voordat ik de krant van vandaag inkijk, moet ik eerst nog even het Oude Testament lezen, het Symposium van Plato, de Odysseia van Homerus, de Metamorfosen van Ovidius en de Koran." Leonard Nolens
“Lezen lijkt soms een exercitie om oprechtheid, moraal en waardigheid hoog te houden, juist op grond van het besef dat overal ter wereld voor deze begrippen elke grondslag onverbiddelijk ontbreekt.” Anneke Brassinga
"Het schrift vormt enkel de partituur van de aria die de lezer moet zingen." Francisco Umbral
“Men schrijft op louter het puntje van het weten, op het uiterste puntje dat ons weten scheidt van het niet-weten, en dat het een doet overgaan in het ander.” Gilles Deleuze
de leeswolf,  2009,  nr. 9 / december
Baggerwerk 9
Het einde / door David Nolens
De bazen op de Olympus werden langzaam wakker, wreven de bonussen uit hun vermoeide ogen en maakten de rekening. Vanuit hun hoofdstedelijke toren in het achterland tuurden ze met verrekijkers naar het voorland en kregen de lenzen nooit zo scherp afgesteld dat ze enige activiteit ontwaarden. “Dat laagste personeel, die simpelen van geest, die gestalten van broek en kepie, die in de mist ronddwalen, zijn,” zegden ze, “even productief als gesubsidieerde kunstenaars.” Die wachters waren het tegendeel van de bazen door wie ze werden betaald, van de overheid dus, de wakers. Er zou worden gesnoeid in Leopold Thans en zijn collega’s. Er zou worden gewied in het onkruid dat uit deze mensen groeide; het onkruid dat ze waren; de bloemen die ze droegen. De bazen zegden: “Deze mensen leven ver boven hun stand.” Deze laatste aristocraten van het voorland, die leefden in de luxe van buitenspel te worden gezet, die meewarig keken naar treinreizigers van verzengende identiteiten.
Die ochtend, terwijl hij wijdbeens tegen een struik stond te plassen, werd Leopold Thans gewaar hoe hem de pijn van alle mensen te beurt viel. En dat deze pijn zijn geluk was. Omdat hij als sluiswachter alle tijd had om er de smaakprikkels van te ontleden.
Hij verbeeldde zich dat hij wachtte voor iedereen, dat de wereld nood had aan een wachter, geen grote en belangrijke, maar net een heel kleine, die niemand wist wonen; een pendule van vlees en bloed. In het achterland, wist hij, dacht men nogal gauw dat zo iemand dood was, dat zo iemand, zoals men zegde “dood is maar het nog niet weet”, terwijl Leopold zich nog nooit zo levend had gevoeld als in dit trage gebaar van stilte en eenzaamheid, terwijl hij zich toch niet had geforceerd in het verhaal van een ander. En omdat hij in staatsdienst was, voelde hij zich gehonoreerd. Voorts werd hij gesterkt door de aanwezigheid van zijn collega’s op bruggen en sluizen aan het kanaal. Ook zij zaten daar met hun hoofd.
Maar de tijd was er niet naar. Mensen die zich om den brode vervreemdden, riepen weerzin op. Hij beet naar het achterland, weliswaar met een tandeloze mond, ook naar het vuil dat afwaarts kwam gedreven. Van schrijven kwam niets onder deze verdrukking van het hoofd.
Leopold zat met zijn collega’s in de sluistoren, in een illusoir verbond van enkelingen. Ze aten beuling met appelmoes, dronken er Duvel bij, rookten sigaretten. Ze lieten hun teksten, de gedachten van de laatste weken, de enige materialisatie van hun arbeid, naar beneden dwarrelen. Ze lazen om beurten hardop voor uit Pallieter van Felix Timmermans. En net als Pallieter ging Leopold “in zijnen blooten flikker naar” beneden “en sprong zoo maar rats het hooge water in, duikelde naar onder en kwam weer blinkend van water en geluk, naar asem scheppend, in het midden boven. De waterkoelte deed het bloed in zijn lijf opspringen, het deed hem deugd, en hij lachte.” Die hoofden van zijn collega’s staken vanop dertig meter hoogte door de raampjes van de sluistoren en ook zij lachten en zwaaiden met hun kepies als net afgestudeerden.
Maar het plezier was van korte duur. Het tijdstip was aangebroken waarop het stakingspiket van de sluiswachters zou worden doorbroken. Als immense varkens, dagelijks vetgemest met timesheets, bedrijfswagens en bonussen, kwamen de bazen van het achterland naar het voorland. Op hun vadsige roze koppen was de letter A gebrandmerkt, als teken van de hoogste schaal waarin deze ambtenaren door de overheid werden tewerkgesteld. De sluiswachters waren van schaal D, maar droegen dit eigendomsmerk niet op hun huid, omdat ze er geen recht aan konden ontlenen. Het agentschap waarvoor zij werkten, was de laatste jaren op zijn kop komen te staan. De hiërarchische piramide met een stevige basis van D-personeel was nu omgedraaid, met een enorme bovenbouw van A-bazen, die steeds meer wilden besparen. De piramide wankelde op haar spits. Aan weerskanten van de sluis lag een tiental schepen te wachten tot de staking zou worden opgeheven.
Leopold Thans was via de ladder uit de sluiskolk naar boven geklommen en stond nu naakt op een bolder, terwijl de varkens aan kwamen marcheren. Als een parel voor de zwijnen, die zich nu voor hem in colonne hadden geposteerd. Hij droeg aarzelend een gedicht voor, dat hij moeizaam ter plekke en uit het hart improviseerde:

Wat is het probleem van de sluismeester
Als ik niet zoek maar wacht in de luxe
Van anders dan ieder niemand te worden
Aan een sluis van langzaam zwijgen


De echte luxe van buitenspel te worden gezet
In een vlakgom van polders en moerassen
Reik met lange, zwarte vingers naar middagzon
Onwelkom en toch gekomen is kristalhelder


Ik weet wie ik ben: een wachter op de grens
Vertel eens: wie verpoost in den vreemde
Als een dichter op een geschaafd eiland
Dat ben ik, die het verloren kapitaal raapt


Van een voorland, geknot en gewilgd
Bloedblikken naar de naakte op de bolder
Waar ik sta in mijn uitmuntende verveling
Als een kunstwerk van een nieuwe aristocratie


Toen ontblootten de varkens hun tanden en sprongen voorwaarts…
Bestel dit nummer of abonneer u op de Leeswolf
print  deze pagina printen of opslaan   print  stuur deze pagina door
© 2010 | vlabin-vbc vzw | another cms by dataweb