naar startpagina
"Voordat ik de krant van vandaag inkijk, moet ik eerst nog even het Oude Testament lezen, het Symposium van Plato, de Odysseia van Homerus, de Metamorfosen van Ovidius en de Koran." Leonard Nolens
“Men schrijft op louter het puntje van het weten, op het uiterste puntje dat ons weten scheidt van het niet-weten, en dat het een doet overgaan in het ander.” Gilles Deleuze
“Het lezen geeft ons toversleutels om diep in ons de deur te openen van vertrekken waar we zelf niet hadden kunnen komen” Marcel Proust
"Het schrift vormt enkel de partituur van de aria die de lezer moet zingen." Francisco Umbral
“Lezen lijkt soms een exercitie om oprechtheid, moraal en waardigheid hoog te houden, juist op grond van het besef dat overal ter wereld voor deze begrippen elke grondslag onverbiddelijk ontbreekt.” Anneke Brassinga
de leeswolf,  2010,  nr. 2 / maart
De zorgen van een schrijver (2)
Verliefdheid / door Yves Petry
Ik sta van nature redelijk verdraagzaam tegenover mensen die in Jezus, Allah of Jahweh geloven. In kabouters, de paashaas of Sinterklaas, in chakra’s, magische stenen, feng shui. Het verlangen naar bovennatuurlijke betrekkingen kan op mijn begrip rekenen, zolang het maar niet verhardt tot fanatieke betweterij. Zelf ben ik ook niet helemaal ongevoelig voor dat verlangen. Alleen vind ik wel dat literatuur of muziek veel geschiktere terreinen zijn om dat verlangen op uit te leven dan kennis of moraal.
Maar als het om verliefdheid gaat, eís ik juist fanatisme. Van mensen die het woord verliefdheid in de mond nemen, verwacht ik dat ze het stigma van de bezetenheid te dragen. Meestal is dat niet het geval. Ze kopen een bloemetje met Valentijn, of een pikant stukje lingerie. Ze doorbladeren samen met hun partner een vakantieprospectus. Ze willen niet alleen staan in het leven. Ze hebben iemand nodig om mee te nemen naar de eindejaarsreceptie. Allemaal goed en wel. Maar op een bepaalde leeftijd begon ik mijn respect te verliezen voor leeftijdsgenoten die me probeerden wijs te maken dat ze verliefd waren. Niet omdat ze zo gek waren om nog verliefd te worden, maar vanwege het zouteloze misbruik dat ze van dat woord maakten. Vanwege hun gebrék aan fanatisme.
Verliefdheid, zoals ik die opvat, is geen kunst. Het is waanzin die zichzelf onmogelijk ernstig neemt. Kunst, en meer bepaald literatuur, is een spel met de werkelijkheid. Het vereist een zekere overgave, jazeker, maar ook afstandelijkheid en zelfkritiek. Gevoel voor maat, berekening, tactiek en geduld. Er zijn prachtige dingen over verliefdheid geschreven, maar niet door verliefde schrijvers. Wat de werkelijk verliefde schrijft, denkt of hoopt, mist elk gevoel voor maat. Zijn vervoering is direct, absoluut en onkritisch. Doodgewone optische effecten houdt hij voor goddelijke vingerwijzingen. Hij ziet tekenen van uitverkorenheid in de spelingen van andermans huid. Hij bekleedt een ander persoon met nog meer uniciteit dan hij normaal voor zichzelf reserveert. Hij denkt dat een ander uit de moleculen van zijn eigen leven bestaat. Hij gelooft volledig wat hij voelt. In zijn fysische en metafysische opwinding koestert hij zijn broze waan als de waarheid aller waarheden. Hij kan die waarheid met niemand delen, zelfs niet met de aanbedene. Ook die begrijpt weinig of niets van de gekte van de aanbidder. En spijtig of niet, juist dat houdt die waarheid in stand.
Het is een vorm van eenzaamheid waartoe slechts weinigen in staat zijn. Van adolescenten wil ik nog wel aannemen dat ze verliefd kunnen worden, in hun onervarenheid, hun overvolle, startklare toestand, hun gifroes van hormonen. Maar mijn leeftijdgenoten? Zodra ze beweren verliefd te zijn, kan ik hen nog moeilijk serieus nemen, en ook ikzelf word niet meer verliefd. De geestelijke voorwaarden daartoe zijn gewoon niet langer vervuld. Ik kan niet meer geloven dat een ander unieker zou zijn dan ik. Ik heb een eigen, eenmalig leven dat ik weliswaar met iemand kan delen, maar waarvan ik zelf het centrum zal moeten zijn, of anders is er geen. Ik kan niet verwachten dat een ander dat in mijn plaats gaat doen. Die heeft intussen ook al een eigen leven met zichzelf als centrum. Dat besef maakt communicatie mogelijk, en scheidt ons tegelijk van elkaar. Ieder moet het doen met zijn eigen moleculen. Een zekere uitwisseling van materiaal hoeft daarom nog helemaal niet te worden uitgesloten, maar het staat me op grond van jeugdigere en veel absolutere ervaringen tegen om deze transacties nog steeds verliefdheid te noemen.
Toch krijg ik bij het schrijven van elk boek op een bepaald moment altijd weer de indruk dat ik eigenlijk het pathos van de verliefdheid probeer voort te zetten, maar dan met andere middelen. Niet door geobsedeerd te raken daar andermans lichaam, glans, geest of elegantie, maar door iets dat ik helemaal zelf uit het niets moet creëren: de woorden van mijn manuscript. Ik laat me meeslepen door een drogbeeld van perfectie. En al gaat het dan niet om amoureuze maar om artistieke perfectie, het leidt tot eenzelfde soort isolement, eenzelfde blinde vasthoudendheid aan een doel waarvan het ireële karakter me bovendien niet eens helemaal ontgaat.
Niet ik, maar het boek in wording is het centrum van mijn leven. Natuurlijk ga ik bij het schrijven kritisch, afstandelijk, listig en berekenend te werk. Maar tegenover deze afstandelijkheid zelf hou ik geen afstand. Niet wát of hóe ik schrijf, maar de inzet waarméé, doet denken aan verliefdheid. Het is een bijna asociale vorm van concentratie die me de enige serieuze manier lijkt om te bestaan. Voor de constructieve, volwassen, participerende houding die een buitenwereld van mij verwacht, kan ik niet veel enthousiasme meer opbrengen. Ik speel een spel, ja, maar met een ernst waarin ik mezelf helemaal verlies. Ik word wanhopig van elke verkeerde zet, euforisch van elke gouden greep. Ik speel om te winnen, alsof het een zaak is van leven en dood, maar wat hoop ik eigenlijk te winnen? Het is een vraag die je me niet moet stellen. Ze stemt me wrevelig. Ik heb er geen antwoord op.
Net als bij een verliefdheid luwt het pathos na enkele jaren — vaak nog voor het boek helemaal af is. Onvermijdelijk ontnuchter ik, en de pijnlijke, treurige fase breekt aan waarin me aan de onsterfelijke geliefde voornamelijk de gebreken en het noodlottige tekort opvallen. Het is voorbij. Niemand is volmaakt. Niets is volmaakt. Een boek is ook maar een boek. Nu kan het niet snel genoeg de deur uit. Ik moet gek zijn geweest om het te schrijven. Mogelijk kan een ander, die het alleen maar hoeft te lezen, er nog kortstondig door worden bekoord, gedurende een fractie van de jaren die het mij heeft gekost. Of wie weet koopt iemand het voor Valentijn.
Bestel dit nummer of abonneer u op de Leeswolf
print  deze pagina printen of opslaan   print  stuur deze pagina door
© 2010 | vlabin-vbc vzw | another cms by dataweb