naar startpagina
"Voordat ik de krant van vandaag inkijk, moet ik eerst nog even het Oude Testament lezen, het Symposium van Plato, de Odysseia van Homerus, de Metamorfosen van Ovidius en de Koran." Leonard Nolens
“Het lezen geeft ons toversleutels om diep in ons de deur te openen van vertrekken waar we zelf niet hadden kunnen komen” Marcel Proust
“Men schrijft op louter het puntje van het weten, op het uiterste puntje dat ons weten scheidt van het niet-weten, en dat het een doet overgaan in het ander.” Gilles Deleuze
"Het schrift vormt enkel de partituur van de aria die de lezer moet zingen." Francisco Umbral
“Lezen lijkt soms een exercitie om oprechtheid, moraal en waardigheid hoog te houden, juist op grond van het besef dat overal ter wereld voor deze begrippen elke grondslag onverbiddelijk ontbreekt.” Anneke Brassinga
de leeswolf,  2007,  nr. 4 / mei
Nagelezen (4)
Indringer / door Joris Note
Als scholier las ik weinig buitenlandse literatuur, schreef ik hier vier nummers geleden. Tot dat weinige behoorden enkele boeken van Albert Camus (1913-1960), die in de jaren ‘60 voor menigeen niet alleen een schrijver maar ook een geestelijke gids scheen te zijn, hij was tenslotte een halve filosoof — een ‘existentialist’, maar dan wel van een voor katholieken acceptabeler soort dan Sartre. Dat laatste gold althans voor de roman La peste (1947), waarvan de slotbladzijde de kennelijk diepzinnige, door leraren graag aangehaalde stelling bevatte "dat er in de mensen meer te bewonderen dan te verachten valt"; maar dat die roman een allegorie van het nazisme was vertelde niemand ons, merkwaardig genoeg. Hoe dan ook, La peste galmt soms wat al te humanistisch, en ik gaf toen al de voorkeur aan Camus’ debuut, L’étranger (1942). De tamelijk kale stijl van dat boek heeft er zeker toe bijgedragen om het leesbaar te houden, maar er is meer.
De hoofd- en ik-figuur Meursault woont als jonge kantoorbediende in Algiers. Door een reeks omstandigheden, waaronder een versuffend brandende zon, komt hij ertoe een (met een mes gewapende) Arabier aan het strand dood te schieten. Er volgen gevangenis, assisenproces en doodvonnis, maar algauw blijkt dat Meursault in wezen niet moet sterven voor zijn misdaad maar omdat hij anders is, een vreemdeling. Pers en gerecht tillen er zwaar aan dat hij geen emoties toont, en vooral: dat hij die ook enkele dagen vóór de moord niet toonde, toen zijn moeder in een bejaardentehuis op haar begrafenis wachtte. Hij waakte ’s nachts wel bij de kist, maar wilde het lichaam niet zien, huilde niet, dronk koffie... Overigens, weet de lezer, had Meursault toen zelf even de indruk dat de oude mannen en vrouwen "daar zaten om [hem] te oordelen"; hij is zich dus goed bewust van zijn er-niet-bij-horen, zijn onverbondenheid.
Het zou niet moeilijk vallen om Meursault te verdedigen. Zijn moeders dood heeft hem beslist meer geraakt dan de buitenwereld denkt; mogelijk is zijn doodslag er zelfs een gevolg van, en je kunt die ook als zelfverdediging interpreteren; zijn algemene onverschilligheid (gebaseerd op de overtuiging dat het leven niet de moeite loont) heeft positieve kanten: hij is behulpzaam, niet bemoeizuchtig, misbruikt geen grote woorden, is gehecht aan eenvoudige dingen... Het gebrek aan gevoelens (en aan ziel) dat de officier van justitie Meursault aanwrijft komt hierop neer: hij staat buiten de gevoelsclichés en clichégevoelens die de maatschappij wenselijk acht — én hij speelt geen komedie om daaraan tegemoet te komen, hij verbergt zijn verschillend-zijn niet. Een monster dus, een gevaarlijk monster, niet wegens de moord maar omdat, zoals de aanklager zegt, de leegheid van zijn hart een "afgrond" is "waarin de samenleving kan neerzinken".
Ik was 17 en herkende het, herkende de afstand tussen, vaag gezegd, eigen ervaring en sociaal spel. Niet dat ik zo uitzonderlijk was, maar misschien vond ik die afstand toch wat groter dan de meeste anderen; en eerlijk, geen moment had ik een afkeer van Meursault als moordenaar. Niets aan te doen. Leg het maar uit.
Nee, ik leg het niet uit. Maar wel dit: de gerechtelijke berichtgeving waarmee we tegenwoordig overspoeld worden, vooral in het tv-journaal, heeft aan de herkenbaarheid van De vreemdeling een nieuwe actualiteit verleend. Er zijn twee aspecten. Ten eerste, ik kruip jankend onder mijn stoel als ik weer eens verwijtend hoor verkondigen dat een beklaagde in de rechtszaal Uiterlijk Onbewogen, zonder teken van Spijt of Medeleven, geluisterd heeft naar een getuigenis of vonnis. Die onbewogenheid schijnt vaak schandelijker dan de misdaad zelf, ik versta dat niet goed, en ik denk aan Meursault: "Ik was schuldig, ik boette, en men had niet het recht verder nog iets van mij te verlangen." In Camus’ roman zijn het religieus bezielde figuren die, soms licht karikaturaal, om berouw en gevoeligheid vragen; hij had zich vast niet kunnen voorstellen dat in ons post-christelijke tijdsgewricht het moralistische gepreek erger zou zijn dan ooit.
Tweede aspect: niet alleen de moordenaar maar ook het publiek, de bevolking, moet zich bewogen tonen. Bij ieder opzienbarend misdrijf peperen de media het ons in, we moeten zijn zoals de getuigen die zij opvoeren, nl. Verontwaardigd, Diep Geschokt, Vol Onbegrip voor de Gruwel, vol Medelijden met de Onschuldige Slachtoffers (er zijn ook schuldige slachtoffers). Wie die sentimenten niet deelt — maar dat is bijna ondenkbaar! — die is al even onmenselijk als de dader, of als een Meursault die niet huilt bij zijn moeders dood. Hoe raar toch dat die hoofdlettertaal zelden of nooit gebezigd wordt bij verkeersdoden. En is een beetje nadenken niet zinvoller dan al die gevoelsuitstortingen?

Het bovenstaande laat veel terzijde — het Absurde en de condition humaine en zo, en bovenal iets wat ook Camus zelf verdonkeremaant. L’étranger speelt zich af in een koloniale, racistische maatschappij, waarin Fransen en Arabieren (en Berbers) leven, maar niet gewoon naast elkaar: de Fransen hebben de Algerijnen hun land afgepakt en overheersen hen. De door Meursault gedode Arabier heeft geen naam, we vernemen niets over hem of zijn nabestaanden; naamloze "Arabieren" staan hier niet tegenover "Fransen", maar tegenover mensen met een eigen naam, tegenover echte mensen als het ware. Historisch lijkt het ook niet toevallig dat Meursault zich zo snel door een Arabier bedreigd voelt en dan maar als eerste toeslaat, want hij is, historisch, in Algiers een indringer, een veroveraar, een ongewenste, jawel, vreemdeling.
Van de tallozen die al 65 jaar dit boek lezen, doet een zeer groot deel het zonder één gedachte te wijden aan die schroeiende achtergrond; als wijlen Edward Said niet had geholpen, zou ook ik er wellicht nooit echt bij hebben stilgestaan. Laten we niet over het algemeen menselijke spreken, er zijn te veel mensen die we miskennen.

Ik citeer Adriaan Morriëns vertaling van L’étranger uit: Albert Camus, Bruiloft/De vreemdeling/De pest/De zomer/De val, De Bezige Bij, Amsterdam, 1993. Zie ook: Edward Said, Culture and imperialism, Vintage, London, 1994 (oorspr. 1993).
Bestel dit nummer of abonneer u op de Leeswolf
print  deze pagina printen of opslaan   print  stuur deze pagina door
© 2010 | vlabin-vbc vzw | another cms by dataweb