![]() |
|
|
de leeswolf, 2005, nr. 9 / december
Een ongewoon leven, een ongewoon oeuvre
André Baillon, een groot stilist / door Frans Denissen
Voor het brave katholieke Vlaanderen van de jaren ’20 was het werk van André Baillon veel te gedurfd: Gerard Walschap noemde hem een pornograaf, Karel Van de Woestijne beschreef hem als een cynicus, een sadist en een pervert (maar Richard Minne verslond zijn romans). Als Vlaming die in het Frans schreef, Belg die in Parijs woonde en publiceerde, getourmenteerd katholiek die vooral in uiterst linkse kringen gehoor vond, intuïtief modernist die zich ver hield van alle georganiseerde avant-gardes, viel hij zowat tussen alle stoelen in. Na zijn zelfgekozen dood werd hij bliksemsnel vergeten. Pas een halve eeuw later dook hij weer op uit het vagevuur waarnaar de literatuurgeschiedenis hem had verwezen. Tegenwoordig wordt hij heruitgegeven, (her)vertaald, becommentarieerd en… gelezen.
André Baillon wordt in 1875 geboren in Antwerpen. Zijn kinderjaren zijn getekend door de dood: exact één maand na zijn geboorte sterft zijn vader, in 1880 zijn broertje Toneke, in 1881 zijn moeder, die intussen hertrouwd is. Via een proces wordt hij door zijn familie aan de voogdij van zijn stiefvader onttrokken en min of meer ontvoerd naar Dendermonde. Hij komt er onder de hoede van zijn ongetrouwde tante Louise, die in zijn boeken ‘Mademoiselle Autorité’ wordt genoemd. Die stuurt hem al snel op pensionaat: eerst naar de zusters van Sint-Vincentius a Paulo in Elsene, daarna naar de jezuïetencolleges van Turnhout en Aalst (maar in allebei wordt hij, ondanks briljante studieresultaten, wegens zijn gedrag aan de deur gezet), ten slotte naar de jozefieten in Leuven, waar hij zijn middelbare school voltooit. Onder druk van zijn familie van industriëlen gaat hij daarna mijnbouwkunde studeren, maar hij legt het aan met een vrouw van bedenkelijke zeden, Rosine Chéret, en wordt van de universiteit getrapt. Zodra hij meerderjarig is, eist hij zijn aanzienlijke erfdeel op en trekt met zijn minnares naar Oostende, waar zij zijn hele fortuin — voldoende om een leven lang bescheiden van te kunnen rentenieren — verbrast en er dan vandoor gaat. Waarop hij in zee springt, maar gered wordt. Enige tijd later opent hij met toch weer diezelfde Rosine een kroeg in Luik, maar ook dat wordt een mislukking. Hij installeert zich op een vrijgezellenflat boven een café in Vorst, vindt een baantje als bediende bij een kolenhandelaar, begint aan de autobiografische roman La dupe (die onvoltooid zal blijven) en publiceert vanaf 1899 in tijdschriften zijn eerste, heel conventionele, essays en verhalen. In 1901 leert hij via een contactadvertentie de Vlaamse ex-prostituee Marie Vandenberghe kennen, met wie hij het jaar daarop trouwt. In 1903, na een reeks zenuwtoevallen, huurt hij met haar een huisje in Westmalle en begint kippen te fokken. Het wordt geen succes: eind 1905 keren ze in arren moede naar Brussel terug, waar hij nachtredacteur wordt bij de krant ‘La Dernière Heure’. In 1907: nieuwe, langduriger poging als kippenfokker in Westmalle, nieuwe mislukking. In 1910 terug naar Brussel en naar zijn krant. Zijn pogingen om schrijver te worden lijken op de klippen gelopen: na 1903 publiceert hij tien jaar lang geen letter meer. In 1912 wordt hij als obscuur journalistje smoorverliefd op de bekende pianiste Germaine Lievens; gedurende meer dan een jaar zal hij haar tevergeefs met liefdesbrieven bestoken. In mei 1913 weet hij haar eindelijk te vermurwen. Even later verlaat hij Marie en trekt bij Germaine in. Dit valt samen met een hervatting van zijn literaire activiteit. Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog krijgt hij van de Belgische regering in ballingschap een maandelijkse toelage om niet aan zijn door de Duitsers gecontroleerde dagblad mee te hoeven werken. Er volgen vier wonderjaren. Bijna in één ruk schrijft hij de eerste helft van zijn oeuvre: Het boek van Marie, Op klompen, Waanzinnen en Jojo Pingping. Bij het werk aan dat laatste boek identificeert hij zich zodanig met zijn (criminele) hoofdpersonage dat Germaine op haar beurt een zware zenuwinzinking krijgt en hem eind 1918 de deur wijst. Hij keert naar Marie terug — al blijft er tussen hem en Germaine een intens contact bestaan — en hervat na de wapenstilstand zijn werk bij ‘La Dernière Heure’. In het voorjaar van 1920 trekt Germaine met haar dochtertje Ève-Marie (de vrucht van een stormachtige relatie met de symbolistische schilder Henry de Groux) naar Parijs. Baillon gaat haar enige maanden later samen met Marie en een koffer vol manuscripten achterna. Hij is 45 en zijn allereerste boek, Moi quelque part… (later uitgebreid tot Op klompen, is kort daarvoor in Brussel in een zeer beperkte oplage verschenen. In Parijs volgt een getourmenteerde poging tot een ménage à trois, maar in april 1922 haakt Marie af en keert naar Brussel terug. Intussen is echter in Parijs Het boek van Marie verschenen en door een aantal critici als een meesterwerk bestempeld. Baillon tekent met zijn uitgever een contract om één boek per jaar te leveren. Voorlopig heeft hij nog een paar boeken in reserve, maar later zal deze verplichting hem zuur opbreken. En ondanks het succès d’estime kan hij niet van zijn pen leven: hij is aangewezen op allerlei hand- en spandiensten aan uitgeverijen en kranten. Als er dan in 1923 ook nog een gecompliceerde en dubbelzinnige relatie ontstaat tussen hem en zijn zestienjarige ‘stiefdochter’ Ève-Marie, stort hij geestelijk in. Hij wordt opgenomen in de psychiatrische afdeling van het Parijse ziekenhuis La Salpêtrière, waar hij drie maanden zal verblijven. De ironie van het lot wil dat hem daar, aan zijn bed, zijn eerste literaire prijs wordt uitgereikt. Zijn verblijf zal trouwens literair bijzonder vruchtbaar blijken te zijn: het levert hem de inspiratie voor drie romans, Een doodeenvoudig man, In de Piepzak en Doodzonde. Nadat hij is ontslagen, betrekt hij een bescheiden huisje in het dorp Marly-le-Roy, een twintigtal kilometer van Parijs, waar hij een aantal jaren als een kluizenaar zal leven en schrijven. In 1930 begint hij een verschroeiende relatie met de 24 jaar jongere Belgische schrijfster Marie De Vivier, die als bewonderaarster van zijn werk contact met hem heeft opgenomen. Ze schrijven elkaar honderden brieven, die ze op crisismomenten verbranden en later weer proberen te reconstrueren. Ze staan elkaar naar het leven, ondernemen een gezamenlijke zelfmoordpoging die mislukt, proberen zonder succes elk apart zelfmoord te plegen. Uiteindelijk belandt Marie de Vivier op haar beurt in een psychiatrische inrichting. Baillon strooit zijn kamer vol bloemen en neemt een overdosis van een slaapmiddel. Hij zal niet meer ontwaken: op 10 april 1932 overlijdt hij na drie dagen coma in het ziekenhuis van Saint-Germain-en-Laye. Een veertig jaar durende worsteling met zichzelf, met het leven, met de liefde, met de voortdurend op de loer liggende waanzin, met de taal, met het witte blad papier, die uiteindelijk een zevental boeken heeft opgeleverd: zo zou je Baillons literaire leven kunnen samenvatten. De andere titels die van hem verschenen, zijn in feite — ondanks de soms glanzende fragmenten die ze bevatten — te verwaarlozen. “Samengeschraapt van de bodem van mijn laden” of “enkel en alleen voor de biefstuk”, zo beschrijft hij ze in brieven aan zijn vrienden: hij zit met dat vervloekte uitgeverscontract en moet elke maand weer de eindjes aan elkaar zien te knopen. Maar met die handvol boeken, samen ruwweg geschat een goeie duizend pagina’s, heeft hij een zeer eigenzinnig oeuvre neergezet, dat nog lang niet al zijn verborgen schatten heeft prijsgegeven. De laatste jaren zijn er, in België en daarbuiten, enkele tientallen scripties en proefschriften gemaakt die Baillons werk vanuit alle denkbare gezichtshoeken binnenstebuiten hebben gekeerd. En die blijken vaak tot nog toe onvermoede aders aan te boren. Baillon is een schrijver over wie, bijna 75 jaar na zijn dood, het laatste woord nog niet is gezegd. Een romanschrijver? Hij wijst de term ‘roman’, het begrip ‘literatuur’ zelfs, categorisch van de hand: “ Het boek van Marie is geen roman!... Het boek van Marie is geen literatuur!... Het boek van Marie is geen tendensboek!... Dit boek is een kreet.” Een autobiograaf dan? Al zijn boeken vertrekken van zijn eigen leven, dat is tegelijk hun beperking en hun sterkte. Toch heeft hij ook hierbij zijn twijfels: “Hoe kun je de ingewikkelde draaikolk die de minste gedachte of het eenvoudigste gebaar is, in woorden en zinnen fixeren zonder ze te vervormen, dus zonder te liegen?” En inderdaad, van een klassieke autobiografie kun je zeker niet spreken. Misschien eerder van een reeks belijdenissen in de zin van Augustinus, vanuit een diepgeworteld schuldgevoel dat hem tijdens zijn jeugd door de jezuïeten is ingeprent en waarvan hij zijn leven lang niet loskomt. Wellicht vat hij het zelf nog het best zo samen: “Mijn boeken zijn, voor mijn eigen heil, gewetensonderzoeken of, als je wil, zoektochten naar mezelf; en voor de anderen spiegels waarin ze mijn beeld kunnen zien opdat ze zich erin herkennen.” Een onverbiddelijke zoektocht, zonder enige poging om zijn zelfbeeld te verfraaien, integendeel: hij plant voortdurend het mes in zichzelf om zijn neuroses, tics, manieën bloot te leggen. Wie daarin het werk van een pornograaf of een pervert ziet, moet wel ziende blind zijn. Het wonder — en daardoor behoort Baillon zijns ondanks toch tot de literatuur met een grote L — is dat dit niet meteen vrolijke leven niet tot larmoyante teksten heeft geleid. Sterker nog: met zijn haarscherpe beschrijvingen van de wederwaardigheden van een schlemielachtig personage — dat in sommige boeken Henry Boulant heet, in andere Jean Martin en in nog andere doodgewoon Meneer Baillon — toont hij zich vaak een onvervalst humorist. Meestal gaat het weliswaar om zwarte, knarsetandende humor, maar soms loopt het ook uit op slapstick van het zuiverste allooi. Zoals in een bladzijdenlange passage uit Waanzinnen waarin het hoofdpersonage na een biecht als penitentie drie weesgegroetjes krijgt opgelegd en die zó goed wil bidden dat hij steeds meer in de tekst verstrikt raakt en er ten slotte niet meer uit komt. Of in een fragment als het volgende uit Een doodeenvoudig man: “Hebt u al eens geteld hoeveel handelingen er nodig zijn om zeg maar een schoon overhemd aan te trekken? Je kiest het uit, je houdt het voor je uit als een kazuifel, met één slip omhoog, je duikt er met je hoofd in, je mikt op een van de mouwen, je mist de andere niet... Negenenzeventig handelingen, dokter! En daarmee houdt het niet op! Toen mijn hoofd er goed en wel in zat, bleek ik een sigaret in mijn mond te hebben…” De vaak lapidaire verwoording (“Ik haal soms meer vreugde uit twee woorden die ik schrap dan uit een zin die ik schrijf”) en de originele opbouw van zijn teksten, die veel ruimte laten aan de verbeelding van de lezer, maken Baillon tot een van de grootste stilisten uit de Frans-Belgische literatuur. Ook al dragen de hoofdpersonages verschillende namen, in feite vormen de afzonderlijke boeken van André Baillon samen één Boek: dat van een aan scherven gevallen leven. Elk ervan bevat wel verwijzingen naar vorige boeken en soms zelfs naar boeken die pas jaren later zouden worden geschreven. Slechts één enkele roman is niet geïnspireerd op zijn eigen leven, maar op het verhaal dat hij hoorde van een medepatiënt toen hij in de psychiatrische inrichting van La Salpêtrière was opgenomen: Doodzonde. Maar ook daarvan heeft het hoofdpersonage zoveel ‘bailloniaanse’ trekjes dat het onmiddellijk als dusdanig te herkennen is. Het massapubliek dat Baillon in de jaren 1920 met Op klompen en Het boek van Marie wist te bereiken, niet alleen in het Frans maar ook in Duitse vertaling, heeft hij nog niet teruggevonden: daarvoor is het wachten op de heruitgave van zijn werk door een van de grote Parijse uitgeverijen. Voor een relatief kleine, maar enthousiaste kern van literaire fijnproevers is hij echter, ook bij ons, helemaal terug van (lang) weggeweest. Recensie: Frans Denissen, Maria Chiari Gnocchi, Eric Loobuyck: Bibliographie de et sur André Baillon 1898-2004 Bestel dit nummer of abonneer u op de Leeswolf
|
|
||||||||
| © 2010 | vlabin-vbc vzw | another cms by dataweb |