![]() |
|
|
de leeswelp, 2004, nr. 3 / april
Meester / dichter = meesterdichter
Edward van de Vendel / door Mirjam Noorduijn
“Mijn gedichten werden de laatste jaren steeds zwaarder en moeilijker. Ik ben het in een andere richting gaan zoeken. Dicht bij huis”, vertelt de gelauwerde dichter en schrijver Edward van de Vendel (1964) in een interview in NRC Handelsblad, naar aanleiding van zijn onlangs met de Woutertje Pieterse prijs bekroonde kinderdichtbundel Superguppie. Schrijven voor zesjarige kinderen, de doelgroep van Superguppie, voelt als “vakantie van de poëzie”, aldus Van de Vendel. Het is waar. Ook het lezen van de versjes in Superguppie voelt als vakantie: Onbezorgd, vrij, zonnig, speels en eindeloos. Toch toont van de Vendel in het slotversje ‘Droom’ in Superguppie dat eindeloosheid niet bestaat in het dagelijkse leven: “Ik droomde dat ik droomde, / daarna werd ik wakker. / Maar ik was nog aan het dromen, / dus werd ik daarna wakker. Het was net kopjeduikelen — / opspringen / en struikelen, / keer op keer op keer — / of droom ik dat alweer? / Zo raak ik van de kook: dromen is bedrog, / jaja, / maar / wakker worden ook?” Het gedichtje is zowel in vorm en ritme als onderwerp en beeld, vrij en speels zoals het “kopjeduikelen”. Het “keer op keer op keer”, suggereert eindeloosheid: De droom in de droom in de droom…, waarin de jonge verteller keer op keer wakker wordt. De droom is bedrog en dus ook het wakker worden in die droom, maar écht “wakker worden ook?”.
Het moment van het werkelijke ontwaken kondigt het einde van het dromen in Droom, van Superguppie én van de “vakantie van de poëzie” aan. Superguppie blijkt een onbezorgd uitstapje van Van de Vendel, hetgeen hijzelf toeschrijft aan de eveneens met de Woutertje Pieterse Prijs bekroonde illustraties van Fleur van der Weel, een blijmoedige onderbreking in de stroom geschriften, die van de Vendel produceert sinds hij debuteerde in 1996 met de dichtbundel voor jongeren, Betrap me. Een debuut met lichtvoetige gedichten, die tot nadenken stemmen en worden verteld vanuit het perspectief van een dromerige ikfiguur, die het leven overdenkt en met verwondering de wereld inblikt, overeenkomstig Van de Vendels eigen houding ten aanzien van het leven. In een interview in dagblad Trouw zei hij ooit: “Ik geloof niet meer. Ik vind dat je alles moet bevragen”. Sinds zijn debuut is Van de Vendel steeds meer gaan schrijven. Aanvankelijk combineerde hij zijn schrijversschap met een baan als meester op een basisschool. Maar vanaf 2001 legt hij zich volledig toe op het maken van kinderboeken als Jaap deelt klappen uit (1999) en Wat ik vergat (2001), toneelteksten en jeugdromans, waaronder de met een Gouden Zoen bekroonde Gijsbrecht (1998, een vertelling naar Joost van de Vondels Gysbrecht van Aemstel). Nog meer gedichtenbundels (Bijna alle sleutels uit 1998 en Aanhalingstekens uit 2000), liedjesteksten (onder andere voor Willeke Alberti), prentenboeken, eerste leesboeken en non-fictie als Slik gerust een krijtje in. Alles over de basisschool (2002). Van de Vendel is een serieuze vakman, die zijn poëzie maar weinig “vakantie” gunt. Zelden klinkt zijn werk zo onbezorgd en blijmoedig als Superguppie. Veel van zijn boeken zijn beschouwend, licht filosofisch en wat weemoedig. Existentiële vragen, alsook verwondering over de mistige grens tussen fantasie en werkelijkheid zijn Van de Vendel niet vreemd. Zijn hoofdpersonen zijn vaak wat anders dan ‘de anderen’ en proberen op een, voor hun, heldhaftige eigen wijze, een plek in deze wereld te veroveren. Hiertoe gebruikt van de Vendel vaak mooie, klankvolle beelden, waaruit blijkt dat de dichter in de schrijver het wellicht voor het zeggen heeft. In het met een Zilveren Griffel bekroonde prentenboek Dom Konijn (2000), waarin Dom Konijn, een kind nog, wil weten “hoe het is om dood te zijn”, beschrijft Van de Vendel het sterven van grootouder Oud Konijn, ritmisch en beeldend als in een gedicht: Dom Konijn moet stil zijn, “nu Oud Konijn zo ligt te bibberen. Nu oud Konijn hier ligt te zuchten als de wind door donkergroene bomen. Nu hij ligt te kreunen als een waaitak die begint te breken”. Ook in een geheel ander genre als de met een Gouden Zoen bekroonde jeugdroman De dagen van de Bluegrassliefde (2000), een verhaal over een ontluikende homoseksuele romance tussen twee achttienjarige jongens, weet Van de Vendel zijn beeldrijke taalgebruik vast te houden. Aan het begin van deze roman schrijft Van de Vendel over de wat verlegen, schuchtere hoofdpersoon: “Tycho woonde al jaren in een etui. De dagen openden en sloten zich als zijn boekentas”. Vanuit dit beeld groeit vervolgens Tycho’s verhaal, dat draait om anders zijn, moed, durf en (vooral) bewust kiezen in plaats van afwachten. Het wat filosofische slotakkoord klinkt bijna zuiver existentialistisch naar het idee dat de mens is wat hij van zichzelf maakt. Ook Tycho komt tot die conclusie: “Iedereen laat zich meeslepen, want doordraaien is gemakkelijk. Ergens achteraan lopen, de gebeurtenissen het werk laten doen, dat is simpel. Maar conclusieloos stilstaan, dat is ook een beslissing. Een stille beweging -tegen de tijd in”. Conclusieloos stilstaan doet Van de Vendel zelf allerminst. In zijn nieuwe, eerste lezersboekje Zootje was hier, kiest hij bewust voor onderwerp en moeilijkheidsgraad en brengt hij vakkundig, schijnbare tegenstellingen als poëzie en proza, fantasie en werkelijkheid, eenling en maatschappij en bespiegelingen en aards gedrag in beeldende, heldere en toegankelijke taal samen. Het verhaal is opgeschreven in korte, onder elkaar afgedrukte prozazinnetjes, die poëzie suggereren en wordt als een terugblik verteld door de dromerige, fantasierijke Tepper, zes á zeven jaar oud. Hij heeft een lui oog, is de beste van de klas en doet hard zijn best zich te handhaven: “Wie wil schelden, doet dat maar. / Ik weet wat ik weet / en ik heet zoals ik heet”. In de tuin bij zijn grootouders vindt hij een geheime hut onder het spoor. Daar speelt hij, alleen, zijn kinderlijke spel in zijn gefantaseerde wereld, waarbij fantasie en realiteit vloeiend in elkaar overgaan. “Ik was vroeg in de hut. / Er hing nog mist. / Ik zei: ‘Hallo, hallo!’met mijn nep-stem. “Hallo, hallo!’ zei ik in de telefoon. / En opeens zei iemand: ‘Ee!’. Echt… Een echte stem van een echt jongetje. Een negerjongetje, een vluchteling en illegaal, die zich met zijn broertje en moeder schuilhoudt in een naburig tuinhuisje. “Hun land was ver / en zij waren ver van hun land. / ‘Hun land is zwart en rood,’ zei Oma, / ‘zwart van de oorlog / en rood van het bloed’”. Treffend, beeldend en aards weet Van de Vendel de gruwelen en gevolgen van oorlogen in een paar simpele zinnetjes samen te vatten. Een droevig verhaal, dat kleurrijk wordt aangevuld door de prachtige paginavullende illustraties van Carll Cneut, die daarmee op geheel eigen wijze het lot van de vluchtelingen verteld. Aanvankelijk voelt Tepper zich bedreigt door de broers en wil hij ze de hut uitsturen. Hij merkt dat ze zijn taal niet spreken. Dat geeft Tepper macht: “Wie de taal kent, is de baas. […] Eruit!’”. Maar de twee jongens, Kiko en Flam, worden uiteindelijk zijn vriendjes. Geheime, illegale vriendjes, met wie Tepper de hele zomervakantie in en rond de hut spelletjes doet. “Kaart op kaart, / spel na spel”. Tijdens hun spel fantaseert Tepper Zootje erbij: Een verzonnen wezentje in de vorm van een stemmetje in Tepper, dat op een dag zomaar piepend zijn mond uitvliegt. Voor de drie jongens is Zootje levensecht, ze geloven in en putten kracht uit haar. Zootje maakt van Tepper een held. Maar dan, op een dag, als de twee illegale jongens en hun moeder door de politie zijn opgepakt, is Zootje ineens verdwenen. Tepper besluit om alles op te schrijven. Het geheim van de hut, van Kiko en Flam én het geheim van Zootje: “Ze was er niet, / maar ook een beetje wel. / Ik heb gelogen, / maar ook een beetje niet. / Soms is nep toch echt. / Als er maar iemand in gelooft”. Een weemoedig slot, waarin fantasie en werkelijkheid subtiel samenkomen in het geloof en daardoor toch hoopvol stemt. Ondanks het vertrek van Kiko en Flam is Tepper blijer en sterker dan voorheen. Zootje was hier is kleurrijk in tekst en beeld en eenvoudig verteld. De eenvoud belemmert Van de Vendel niet met taal te spelen. Het geluid van de treinen die af en aan over de hut razen probeert hij in woorden te vangen als “lawaai op papier”: “Het knalt boven je kop. / Het valt om je heen, / als water, / als regen. / Alles trilt, alles rilt. / Alles rammelt heen en weer”. En kleine grapjes met Franse woorden (Kiko en Flam spreken Frans) als “wie”, “kwa”, “nuul” en “ ‘TepPER’, met meer Per dan Tep”, doen het verhaal luchthartig klinken. Zootje was hier zet aan tot lezen. Soms moet je daarbij diep zuchten, soms verrast opkijken en soms glimlachen. Zoals dat gaat bij het lezen van Van de Vendels boeken. Boeken die gekenmerkt worden door een verscheidenheid in genre, onderwerp en keuze van illustratoren, maar die door Van de Vendels beeldende, bewegende en klankvolle taalgebruik duidelijk met elkaar verbonden zijn. De auteur zelf over zijn werk: “Bij een bepaald idee hoort soms een leeftijdsgroep en bij een bepaalde leeftijdsgroep hoort soms een idee. Ik bedoel maar: een boek in je hoofd kan op allerlei manieren vertrekken. Soms wil ik graag over juist dát onderwerp schrijven, soms ben ik toe aan wat concreter en vrolijker werk, soms wil ik graag een eerste lezer schrijven, gewoon vanwege de technische uitdaging”. Hier spreekt een schrijver ‘pur sang’, die in de (nabije) toekomst middels een keur aan romans, dichtbundels, liedjes en teksten nog veel van zich zal laten horen. Een vakman. Met de Woutertje Pieterse Prijs in Van de Vendels prijzenkast kan met recht worden gezegd: Meester/dichter wordt meesterdichter. Edward van de Vendel, Carll Cneut: Zootje was hier, De Eenhoorn Wielsbeke, 2004, 64 p. : ill., 14,95 euro. ISBN 90-5838-246-X Bestel dit nummer of abonneer u op de Leeswelp
|
|
||||||||
| © 2010 | vlabin-vbc vzw | another cms by dataweb |