naar startpagina
“Het lezen geeft ons toversleutels om diep in ons de deur te openen van vertrekken waar we zelf niet hadden kunnen komen” Marcel Proust
"Voordat ik de krant van vandaag inkijk, moet ik eerst nog even het Oude Testament lezen, het Symposium van Plato, de Odysseia van Homerus, de Metamorfosen van Ovidius en de Koran." Leonard Nolens
“Men schrijft op louter het puntje van het weten, op het uiterste puntje dat ons weten scheidt van het niet-weten, en dat het een doet overgaan in het ander.” Gilles Deleuze
"Het schrift vormt enkel de partituur van de aria die de lezer moet zingen." Francisco Umbral
“Lezen lijkt soms een exercitie om oprechtheid, moraal en waardigheid hoog te houden, juist op grond van het besef dat overal ter wereld voor deze begrippen elke grondslag onverbiddelijk ontbreekt.” Anneke Brassinga
Lezing Jen de Groeve
Geef de literatuur terug aan de literatuur
Literaire kritiek en jeugdliteratuur
Waarom zijn wij zo vroeg opgestaan op een zaterdag? Wat zitten wij hier met z’n honderd in de bibliotheek te doen op onze vrije dag? De lokroep was jeugdliteratuur. Maar helaas, waar zijn we mee bezig. Ik citeer een recensente van het NRC Handelsblad: “Lezen […] is een activiteit voor de oudere vrouw in de provincie.” Waarmee zoveel gezegd is als: ‘Lezen is iets voor wie niets beters meer te doen heeft.’En ik citeer Thomas Vaessens, een literatuurprofessor: “Jonge lezers voelen zich niet aangetrokken tot het sterfhuis van de literatuur”. En Harold Polis, een Vlaamse uitgever, publiceerde vorig jaar in het tijdschrift ‘Deus ex Machina’ een artikel met als titel: ‘Het literatuurloze universum’. Er doet zich dus met de literatuur klaarblijkelijk een probleem voor. Karin Kustermans onderzoekt in De Leeswelp al drie maanden op rij wat er aan de hand kan zijn met betrekking tot de jeugdliteratuur. En het probleem is niet min, want haar vaststelling is dat we op een glijbaan zitten en dat het met een rotvaart naar beneden gaat.
Hoe komt het toch dat zovelen die met jongeren en literatuur, met lezen en leesbevordering bezig zijn, gealarmeerd zijn? De bekommernis is in elk geval overal dezelfde: de jeugdliteratuur zit in een malaise en daar moet hoognodig een einde aan komen.
Ik vraag me hier vandaag af welke positie de literatuurkritiek inneemt en hoe zij met het probleem omgaat.
1. Een imagoprobleem
Wie iets beters te doen heeft, zit dus niet te lezen. De omschrijving van die NRC-recensente is pijnlijk accuraat: het lezen kampt met een imagoprobleem van jewelste. Nu is lezen altijd al iets voor enkelingen geweest, het is een erg private bezigheid. Voor grote groepen van mensen is de amusementswaarde gewoonweg nihil. Ook toen ik als kind (en dat is ruim 35 jaar geleden) in de klas vertelde dat ik elke week vijf boeken uit de bibliotheek ging halen, was ik een uitzondering. Mijn klasgenoten vroegen zich toen ook al af waar ik de tijd vandaan haalde. Want zij hadden wel iets beters te doen dan boeken te lezen. Wat is er nu dan anders?
De maatschappelijke context. En die is volgens sommigen totaal nieuw. We mogen namelijk niet denken dat het hier gewoon om een generatieconflict gaat, er komt meer bij kijken. Vroeger werd lezen algemeen als iets belangrijks beschouwd. Mijn ouders waren blij dat ik braaf thuis zat en boeken las ook al deden ze het zelf nooit. Lezen was goed voor mij en belangrijk voor op school. Vandaag wordt precies dat nut van lezen in vraag gesteld. Vroeger was een ontwikkeld mens ook een belezen mens, literatuur had een vanzelfsprekende plaats in het culturele leven. Maar in de loop van de laatste decennia is literatuur nog maar een onderdeeltje geworden van een erg ruim cultuuraanbod. Vroeger zou iemand die wilde doorgaan voor een cultuurbewust mens nooit hebben toegegeven dat hij niet las. Dit voorjaar liet de juryvoorzitter van de Gouden Uil op televisie verstaan dat lezen eigenlijk niet aan hem besteed is. Zoveel dus voor de status van de literatuur.
Op de vraag wat je met die afbrokkelende status aanmoet, is er -- uiteraard -- geen eensluidend antwoord.  Maar het verschil tussen wat de jonge literatuurwetenschapper van vandaag vindt, en de mening van zijn voorgangers, is betekenisvol. Thomas Vaessens, hoogleraar Nederlandse letterkunde aan de universiteit van Amsterdam, vindt dat het onderwijs van de jonge mensen moet leren, ik citeer: “dat er nog heel andere manieren van lezen zijn dan de gebruikelijke”. Rita Ghesquière, literatuurprofessor aan de KU Leuven die dit jaar met pensioen is gegaan, benadrukt dat het onderwijs aan de leesontwikkeling van jonge mensen moet werken opdat ze goeie lezers zouden worden. De jonge wetenschapper gelooft in wat hij noemt “de radicale democratisering van de literatuur”, de oudere wetenschapper gelooft dat het feit dat er gelezen wordt,  op zich onvoldoende is. Het komt er ook op aan wat er gelezen wordt en hoe, en dat jonge mensen daar een leerproces moeten doormaken.
Ik citeer opnieuw die wetenschapper van vandaag: Thomas Vaessens, want hij heeft een belangrijke stem in deze kwestie:
“De babyboomgeneratie is de laatste generatie voor wie stevig lezen in het onderwijs als levensbehoefte is gepresenteerd en aangeleerd. Misschien zorgen de babyboomers, als ze straks welgedaan met pensioen gaan, nog een keer voor een opleving van de oude leescultuur. Hun kranten zullen de boekenbijlagen nog meer op hen afstemmen en uitgevers gaan de klassiekers die in hun huisbibliotheek nog ontbreken opnieuw op de markt brengen. Maar daarna is het schluss. Nieuwe generaties groeiden op in een cultuur waarin het boek niet meer het belangrijkste cultuurmedium was. Beeld en geluid wonnen terrein, en voor wat het geschreven woord betreft, raakten we gewend aan de voordelen van de digitale bibliotheek, die alles doorzoekbaar maakt, waardoor je niets meer hoeft te lezen of te onthouden.” einde citaat. Je hoeft niet meer te lezen om iets te weten te komen, lezen is werkelijk niet meer noodzakelijk.
De toon van dit citaat alleen al maakt meteen duidelijk dat Vaessens vindt dat het onderwijs niet anders kan dan zich aanpassen aan die veranderde cultuur. Want als je dat niet doet, ben je je perspectief op de toekomst kwijt.
Een vrolijke zap- en fladdercultuur
Nieuwe lezers lezen dus anders. Hoe dan? Ze lezen niet alleen op papier, misschien vooral niet op papier. Vaessens zelf zegt dat het wat “rommelige” lezers zijn, “zonder geduld”. Ik citeer hem opnieuw: “Lezen is voor hen vaak onderdeel van een meervoudig, hiërarchieloos en niet-lineair proces waarin meerdere teksten en tekstsoorten tegelijk tot zich genomen worden.” Concreet houdt dat onder meer in, dat jonge mensen heel wat op het internet lezen, zich geen rekenschap geven van de herkomst van de teksten, dat ze van de ene naar de andere tekst zappen. Mensen die het niet met Vaessens eens zijn, noemen dat “een vrolijke zap- en fladdercultuur”.En die fladdercultuur houdt onder meer ook in dat jonge mensen geen boeken meer lezen als doel op zich, voor het genot van de lectuur,  maar dat ze het vaak beschouwen als een  schakeltje in een breder sociaal gebeuren. Je kan daarna bv. meepraten op een blog. En als je regelmatig de literaire weblogs volgt, heb je zonder twijfel al gezien hoe snel het gesprek weggaat van de literatuur die de aanleiding was.
Geen hiërarchie
Het woord ‘hiërarchie’ is hier ook gevallen. Thomas Vaessens gaat ervan uit dat in de oude literaire cultuur diegene die ervoor gestudeerd heeft, beslist wat literatuur is en wat er dus gelezen moet worden. En het is precies die hiërarchie die vandaag niet meer werkt. Mensen laten zich niet meer voorschrijven wat ze al dan niet moeten lezen. Ik kan daar eigenlijk niet zoveel op tegen hebben. Ik beslis ook graag zelf wat ik lees. Als het om jeugdliteratuur gaat, wordt het wat delicater, want dan wordt het: “mijn kind weet zelf wel wat het graag leest”. Zonder twijfel, en ook dat is natuurlijk niet nieuw – we kennen allemaal de keuzes van de kinderjury’s en we weten dat ze vaak frontaal botsen met die van de volwassen jury’s. Er zijn trouwens ook altijd meningsverschillen over geweest over het nut van de ‘literaire boeken’ waarvan we wel mogen willen dat onze kinderen ze lezen en het echte leesboek waar een kind plezier kan in vinden. Dat meningen verschillen is één zaak (een goede zaak, trouwens dat houdt de discussie levendig), maar de idee dat kinderen zelf perfect in staat zijn om hun lectuur te kiezen, dat ze daar geen autoriteit bij nodig hebben, heeft blijkbaar toch een erg breed draagvlak gekregen. Karin Kustermans schrijft daarover: “ Werd een recensie vroeger gewaardeerd als de gefundeerde mening van een kenner, die alleen al daarom respect verdiende en waarvan iets op te steken viel, vandaag wordt de mening van andere ‘gewone’ lezers steeds belangrijker. Boeken worden aanbevolen door de buurman, een vriendin of een onbekende op het internet. Zo ontstaat een netwerk van ‘gelijkgestemde’ lezers, waarin mond-aan-mondreclame heel belangrijk wordt.”
Vroeger moesten kinderen ‘omhooglezen’, want ze hadden nog wat te leren. Vandaag hoeft dat niet meer per se en het gaat in de eerste plaats nog om het plezier dat ze erin kunnen vinden.
Dat maakt het voor wie zich geroepen voelt om te oordelen over literatuur niet bepaald gemakkelijk. Het oordeel van een professionele, ervaren lezer moet opboksen tegen dat van het kind dat het lezen nog moet leren; het oordeel van de criticus en de recensent is niet beter dan dat van om het even wie. Iedereen kiest voor zichzelf, en elke mening is even goed. Geen hiërarchie. Of is het misschien een omgekeerde hiërarchie?
De onwetende meester
Harold Polis (uitgever bij Manteau/Meulenhoff) noemt dat de autoriteit van “de onwetende meester”. En een van de belangrijkste elementen die tot het ontstaan van die onwetende meester bijdraagt, is het internet. Alles is op heb web te vinden, is de gangbare idee, je kan knippen en plakken naar hartenlust (en allemaal gratis!). En het internet is ook onuitputtelijk. J.K. Rowling: 9 miljoen hits. Oogverblindend (en niet hanteerbeer). Uit welke bron die informatie komt is lang niet altijd duidelijk en het doet er ook hoe langer hoe minder toe. Het feit dat men grenzeloos verder kan klikken is belangrijker dan wat zo’n hit oplevert. En dat maakt dat een belezen recensent, die met kennis van zaken een grondig uitgespit artikel van zo’n 5 à 6 bladzijden in een tijdschrift publiceert, over J.K. Rowling bv., onmogelijk opkan tegen de 9 miljoen hits, ook al zullen er daar ettelijke miljoenen bij zijn, die volstrekt inhoudsloos zijn.
Literaire kritiek
Hoe met informatie wordt omgegaan, heeft een grote invloed op de manier waarop literaire kritiek wordt geapprecieerd en ook op de manier waarop aan kritiek en boekbeoordeling wordt gedaan.
Ten eerste wordt het almaar minder. In de populaire media tenminste. Van kritisch recensiewerk in de boekenbijlagen van de kranten blijft niet veel over. Maar aan de andere kant is het verbazend dat de literatuur in de kranten nog zo lang stand heeft gehouden, toch als je bedenkt dat het een commercieel medium is. Een krant moet verkopen, wordt bestuurd door mediamanagers. Dat er dan nu aandacht is voor cultuur in een veel bredere zin is niet vreemd. Het wordt gedicteerd door de markt. De recensenten, die vroeger een volledige bladzijde kregen voor één boek, moeten het nu met een afgemeten plekje doen. De cultuurjournalist van de krant heeft een belangrijke stem in de keuze van de boeken. Het moeten boeken zijn om aan te bevelen, zodat mensen weten wat ze moeten kopen voor sinterklaas en kerst. De recensent van de Boekenbijlage is vandaag vaak een wat “vermoeide” recensent, die het graag anders zou willen, die veel meer en op een andere manier over boeken zou willen schrijven, maar die zich moet neerleggen bij de situatie. Waarom doet hij het dan nog? Om toch nog iets te kunnen doen. Misschien kan hij zo toch nog een opmerkelijk boek onder de aandacht brengen dat anders tussen de hoge stapels hypes en fun verloren zou gaan. Redden wat er te redden valt. En dat lukt soms ook heel aardig. Maar wie zich wat uitgebreider en grondiger met boeken en literatuur wil bezighouden moet terecht in een vakblad. En met een vakblad bereik je heel wat minder mensen dan met een krant. De literaire kritiek is niet verdwenen, ze is wel een stuk minder zichtbaar geworden.
De vragen die je je daarbij kan stellen, zijn: is het waar, zoals Thomas Vaessens vindt,  dat de serieuze lezer aan het verdwijnen is? En daaruit voortvloeiend, is het beoordelen van boeken dan niet uit de tijd aan het raken? Ik denk persoonlijk twee keer van niet.
Het verbaast me, in de artikels en de disputen die erover gevoerd worden, hoe de literaire kritiek op zijn smalst gezien wordt door de mensen die er geen boodschap aan hebben. Het heet meestal: mensen willen zich door de literaire kritiek niet meer laten voorschrijven wat ze moeten lezen. Alsof dat de bedoeling van literaire kritiek zou zijn. Het lijkt alsof wie zo over het beoordelen van boeken spreekt, een paar decennia in de evolutie gemist heeft. Mensen de weg wijzen naar goeie boeken en ze behoeden voor de minderwaardige, is iets wat de boekengidsen en de jeugdboekengidsen van de jaren ’50 en ’60 deden. De naam zegt wat ze wilden zijn, een gids, die de lezers met een lantaarntje voorging om hem op de goede weg te houden. Ze publiceerden korte recensietjes met sterretjes en codes erbij zodat je meteen kon zien of het boek kon dienen; je hoefde de recensie zelfs niet te lezen.
Dat vandaag in de kranten opnieuw hyperkorte recensietjes verschijnen met sterretjes eronder als aankoopadvies, belet niet dat er elders  wel op een degelijke manier aan literaire kritiek wordt gedaan. In vaktijdschriften, bv. en er zijn een aantal erg interessante weblogs. Met recensies waar de belangrijkste informatie niet is of de recensent een boek goed vond of niet, maar waarom hij tot dat besluit gekomen is.
Ik geloof dat ook vandaag heel veel recensies nog aan kwaliteit zouden winnen wanneer de recensent zich wat vaker de simpele vraag ‘Waarom’ zou stellen. Laat ik eerst even op een aantal praktische zaken bij het maken van een recensie ingaan. Ik ga uit van mijn eigen redactiepraktijk.
Waar willen we naartoe?
Een eerste vraag die een redactie zich moet stellen, vóór ze recensenten aanspreekt, is: waar willen we naartoe? Er verschijnen immers recensies zat op het internet, van professionele en niet-professionele lezers, en de ene is al wat ernstiger opgevat dan de andere. Aangezien de recensies die ik uitbesteed, in De Leeswelp komen, moeten ze passen in het profiel van dat tijdschrift, ze moeten mee het gezicht bepalen. Enerzijds wil De Leeswelp een overzicht bieden van wat er aan goede boeken op de markt is. Daarnaast schept het tijdschrift ook een kader waarbinnen gelezen en geschreven kan worden, met teksten over jeugdliteratuur, over de evolutie, de tendenzen, over onderzoek naar schrijvers en genres. Teksten schrijven die mee bouwen aan een visie op literatuur is een traag proces, omdat het reflectie en analyse vraagt, en een grote belezenheid van de recensent. Hij moet op de hoogte zijn van wat verschijnt, de evoluties in de gaten houden, oog hebben voor de ontwikkelingen in het vakgebied… Van hem wordt meer verwacht dan dat hij een beetje kan meepraten over de nieuwste van deze of gene schrijver. Hij moet inzichten ontwikkelen over jeugdliteratuur – en ook verder kijken, oog hebben voor wat er zich op een ruimer plan afspeelt. Rita Ghesquière zegt hierover: “Het woord ‘jeugdliteratuur’ bestaat uit twee componenten. Ik vind het belangrijk om die in evenwicht te houden, om beide aspecten recht te doen. Daarom is het belangrijk dat de studie van de jeugdliteratuur ingebed is in het grotere geheel van de literatuurstudie. Ik heb jeugdboeken steeds als literatuur beschouwd en ze geplaatst tegen de achtergrond van de grote traditie, ik heb altijd geprobeerd te kijken hoe de jeugdliteratuur aansloot bij het literaire systeem, hoe de verhoudingen waren. Holt de jeugdliteratuur achteraan, of loopt ze soms voorop? Als je de twee in het oog houdt, zie je vaak heel interessante dingen.”
Die achtergrond kan de recensent mee opnemen zijn recensies. En die recensies, dat zijn helder geschreven, open teksten waarin hij zijn persoonlijke, onderbouwde mening geeft over een boek. Het is de bedoeling dat elke geïnteresseerde liefhebber er iets kan aan hebben. Het is de bedoeling dat die liefhebber zijn eigen mening tegen die van de recensent kan afwegen. Want iets voorschrijven wil een recensie niet. Ze kan wel een ijkpunt zijn voor de lezer, omdat de recensent nu eenmaal een professionele lezer is, met waarschijnlijk een breder referentiekader en een hele set aan criteria om een boek te beoordelen.
De criteria
Wat zijn nu die criteria? Want de keuze ervan bepaalt in grote mate hoe een recensie er zal gaan uitzien. Ze zeggen veel over wat je van een boek verwacht, en welk publiek je wil ermee wil bereiken. En ze bepalen of je recensie inderdaad zo’n ijkpunt kan zijn.
Voor veel privélezers is de leeservaring het belangrijkste criterium bij de lectuur, maar een recensent mag het daar niet bij laten. Hij moet vaststellen hoe de schrijver erin geslaagd is om de lezer tot die ervaring te brengen. Hij moet zich vragen stellen bij de maatschappelijke relevantie van een boek, bij de levensvisie van waaruit geschreven wordt en bij de stilistische en structurele uitwerking. En specifiek voor jeugdliteratuur moet hij nagaan in welke mate een boek de lezer kan vasthouden. Ten dele is dit een vraag naar de stijlmiddelen waarmee de schrijver dat doet, maar het heeft ook te maken met empathie voor de lezer en zijn leefwereld. Hoe kleiner de leeservaring is, hoe belangrijker de herkenbaarheid voor de lezer zal zijn.
De mate waarin een schrijver zich inleeft in de lezer is een lastig punt. Het wordt in de discussie over populaire en literaire boeken altijd als het belangrijkste criterium naar voren gebracht door de schrijvers die zich gepasseerd voelen door de literaire kritiek of de literaire jury’s. “Kinderen houden wel van mijn boeken”, zeggen ze, en  het is duidelijk dat kinderen best weten wat ze willen. Maar dat criterium wordt doorgaans met weinig subtiliteit gebruikt. Empathie voor de doelgroep voelen, is niet hetzelfde als zich laten inperken door wat men denkt dat de lezers zullen willen. Toegankelijk schrijven is iets anders dan toeschietelijk zijn en inspelen op de vraag van kinderen naar meer van hetzelfde. Het is blijkbaar voor veel schrijvers, die niet expliciet voor het commerciële succes kiezen, toch een moeilijke evenwichtsoefening. Maar dat is het ook voor de recensent, om het onderscheid te maken tussen banaal seriewerk en dat andere ruime aanbod van boeken, die wél iets in je kunnen losmaken. En dan maakt het niet zoveel uit of het om een literair boek gaat of om een goed gemaakt ontspannend leesboek.
Het vraagt van de recensent natuurlijk belezenheid om dat onderscheid te kunnen maken. Het lijkt vanzelfsprekend dat een volwassen lezer het verschil kan zien, maar het oordeel vervalt heel snel in zwart-wit tegenstellingen, zoals ‘moeilijke boeken’ dus zijn ze literair, en boeken die direct ‘scoren’, dus dat is voor een grote groep lezers.
En de recensent moet ook oppassen dat hij dat verschil laat blijken in zijn terminologie. Als ik de recensies van een jaarproductie zou overlopen en nagaan hoeveel “meesterwerken” er volgens de recensenten geschreven zijn, hoeveel “uitmuntende stilisten” er onder de schrijvers zijn en hoeveel “gewoonweg schitterende illustraties” er gemaakt worden, dan zou ik niet anders kunnen dan besluiten dat er van een malaise in de jeugdliteratuur geen sprake is.  En in die laaiend enthousiaste termen wordt evengoed over belangeloos entertainment als over het echte, zeldzame topwerk gesproken. Een recensent die onvoldoende onderscheid maakt, of die de argumenten mist om duidelijk te maken waar de kwaliteit van een boek uit bestaat, die verliest veel van zijn kritische impact. Het aaneenrijgen van superlatieven werkt trouwens zelden om iemand te overtuigen.
De Nederlandse schrijfster Renate Dorrestein schrijft in haar literaire autobiografie Het geheim van de schrijver: "Een roman moet emotionele bevrediging bezorgen; je moet ervaren: hier gaat het om in het leven."
En in een onderzoekje aan de faculteit Pedagogie van de Universiteit Gent heeft een studente onderzocht  welke criteria kinderen van 11 à 12 jaar hanteren om te bepalen of een boek goed is. Een belangrijke conclusie van de kinderen was: "Je moet het gevoel hebben dat het echt kan gebeuren." Ze onderzocht ook de criteria van hun leerkrachten en stelde vast dat ze ver afliggen van de criteria van de literaire kritiek. Leerkrachten hielden veel sterker de lezer en de bruikbaarheid van de tekst voor ogen dan de critici, die in de eerste plaats uitgaan van de tekst zelf. Dit onderzoek bevestigt de welbekende discussie over literaire jeugdboeken enerzijds en populaire jeugdboeken anderzijds. Maar het is die ‘enerzijds’ en ‘anderzijds’ die, vind ik, niet deugt. Ik vraag me af of wat de kinderen in dit onderzoek besluiten dan werkelijk zoveel verschilt van wat Renate Dorrestein zegt? Vertalen volwassenen de vraag van kinderen naar spanning, avontuur en humor enz. niet een beetje te gemakzuchtig naar oppervlakkigheid, rechtlijnigheid en louter ‘leesplezier’? Kinderen vragen niet naar goed gekarakteriseerde personages, naar een zinvolle structuur, naar een verhaal met interne samenhang. Daar heb je de recensent voor, en die moet daar in alle duidelijkheid zijn oordeel over geven. Een kindervraag mag niet resulteren in een schrijven op kindermaat waarin het onderscheidingsvermogen, het bredere referentiekader, de volwassen levensvisie niet meespelen. We moeten de draagwijdte van die uitspraak:"Je moet het gevoel hebben dat het echt kan gebeuren" goed voor ogen houden en als volwassene nagaan welke eisen dat stelt aan een boek. Want het verzonnen verhaal van de schrijver kan pas echt werkelijkheid worden wanneer het met vakkennis op papier wordt gezet. (dixit Renate Dorrestein) Dat kinderen die kundigheid niet meteen zien, is normaal, maar het moet wel de bedoeling zijn dat ze het leren.
Je hoort een schrijver wel eens vaker zeggen dat hij niet specifiek voor de jeugd schrijft, maar in de eerste plaats voor zichzelf. Ik geloof dat niet. Milne bv. zei dat, over zijn Winnie de Poeh, maar de uitleg die hij erbij gaf, maakt duidelijk waar het hem met die uitspraak om gaat: "Je moet nooit vrezen te goed te schrijven voor een kind". Als schrijver leg je je dus voor kinderen even strenge criteria op als voor volwassenen, je geeft niet aan een kind wat je voor jezelf niet goed genoeg vindt.
Nochtans wordt er bij het recenseren van vooral de lichte, avontuurlijke leesboeken vaak vanuit gegaan dat het goed genoeg is. De recensent stelt wel vast dat het een verhaaltje van dertien in een dozijn is, maar schrijft erachteraan: “de jonge lezer zal hiervan genieten.” Of hij heeft bezwaren tegen een krakkemikkig verhaal, maar “dat zal voor de jonge lezer de pret niet drukken.” Je als volwassene trachten te verplaatsen in een kind, is riskant en bovendien is het van geen nut bij het schrijven van een recensie. Als recensent ben je zelf de kritische lezer van dienst en moet je je persoonlijk oordeel vormen en daarbij inderdaad aanspraak maken op enige autoriteit. Dat betekent niet dat je ook aanspraak kan maken op de algehele waarheid, jouw mening is er tenslotte maar één. Maar een recensent die niet tot een afgewogen oordeel komt, zich probeert voor te stellen wat een ander er zou van vinden en niet verder komt dan “er zullen zeker kinderen zijn dit goed vinden en andere zullen het flauw vinden”, die heeft geen goeie kijk op wat zijn taak inhoudt.
De praktijk
In de praktijk blijkt het beoordelen van boeken niet zo evident te zijn. Hoe vaak zie je niet dat een recensie grotendeels bestaat uit inhoudsparafrase, met als enige evaluatie dat het een "mooi" boek is, een "ontroerend verhaal", of iets "om bij weg te dromen"? Maar wat is de bruikbaarheid van zo’n louter persoonlijke evaluatie in een bredere context? Van een recensent mag je verwachten dat hij laat zien welke middelen de schrijver gebruikt om een mooi boek te schrijven en welk effect dat heeft op de lectuur. Wanneer je dat aan een lezer kan tonen, bied je hem zelf een aantal criteria aan om te evalueren. Je schrijft hem niets voor.
Ik kom hier nog even terug op de vluchtige, zappende lezer van Thomas Vaessens. Dat er inderdaad veel zo’n lezers zijn, kom ik dagelijks tegen in de redactiepraktijk, maar ik kom ook hoe langer hoe meer zappende recensenten tegen: een stukje van het verhaal, een stukje beschrijving van een paar personages, wat citaatjes als smaakmaker, wat weetjes over de uitgever, de schrijver of over zijn vrouw of zijn kinderen… Een echt netwerkje van flarden informatie, waarvan de relevantie voor het boek niet duidelijk is.Maar literatuurkritiek die zich bij de “vrolijke zap en fladdercultuur” aansluit, en alle mogelijke verklaringen, invalshoeken en betekenissen zonder onderscheid naast elkaar laat bestaan, is niet geloofwaardig en ze ondermijnt bovendien haar eigen fundamenten. Zo’n literaire kritiek heeft inderdaad niets meer te bieden dan om het even welke mening.
Besluit
De context vandaag is niet ideaal voor recensenten, critici, mensen die aan leesbevordering doen. Maar precies vanwege die context is het des te belangrijker om de nadruk te leggen op de intrinsieke kwaliteiten van het boek. Daar heb je ervaren lezers voor nodig. Lezers die bereid zijn om door te dringen in het boek, om het gesprek met het boek aan te gaan, alvorens er over gepraat en geschreven kan worden. En de schrijvers zijn hierin vragende partij. Het gebeurt regelmatig dat een schrijver of een illustrator, wiens werk besproken is, mij laat weten hoe blij hij daarmee is. Niet alleen met het oordeel, maar vooral met de grondigheid en de ernst waarmee zijn werk behandeld is. Dat gebeurt het meest wanneer inderdaad het oordeel positief is. Maar het gebeurt ook bij kritische recensies, waar de vinger duidelijk op de zere plek wordt gelegd. Dat is dan in de eerste plaats grootmoedig van die auteur, makkelijk kan dat niet zijn wanneer je werk met een fileermes gehanteerd wordt. Maar dat gefundeerde kritiek gewaardeerd wordt, zegt mij dat het gesprek met het boek voor de auteur belangrijk is, dat het kan bijdragen tot de kwaliteit van de literatuur en dat de literaire kritiek zijn rol daar moet blijven in spelen.
En wanneer de recensent de lezer op een goeie manier wil bedienen, kan hij niet volstaan met een paar wegwijzers uit te zetten. Hij moet de lezer laten volgen hoe hij zelf tot zijn interpretatie en zijn oordeel gekomen is. De lezer kan dat toetsen aan zijn eigen leeservaring. Dat kan bijdragen tot de kwaliteit van zijn lectuur en tot de kwaliteit van het literair discours. In plaats van het door elkaar gepraat van iedereen en niemand zoals we dat almaar meer zien, kan het dan een gesprek van lezers onder elkaar zijn.
Ik ga afsluiten met de vraag die je je in verband met jeugdliteratuur toch blijft stellen: moeten kinderen per se lezen? Ik ben ervan overtuigd dat ze veel missen als ze het niet doen. Maar als je wil dat kinderen lezen, laat ze dan lezen zoals het moet. Wie wil googelen moet zich aanpassen aan de gebruiken van het internet anders vindt hij de weg niet. Wie wil sporten moet aannemen dat hij zich in het zweet zal werken, anders haalt hij geen resultaat. Wie dus boeken wil lezen zal moeten aannemen dat de aard van de tekst bepaalt hoe dat verloopt. Want het fragmentaire lezen dat de media van vandaag met zich brengen, doet aan de kwaliteit van het lezen af. Als je dat gaat ondersteunen dan werk je uiteindelijk aan een leescultuur voor niet-lezers. En het is maar de vraag wie daar mee gediend is.  
© 2010 | vlabin-vbc vzw | another cms by dataweb